Conclusie
Het middel
geenafstand gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Ik kan niet met verdachte communiceren. Hij verblijft in Armenië. Ik weet niet waar. Communicatie verloopt via zijn levenspartner in Nederland.”
Parket bij de Hoge Raad
Het Gerechtshof Arnhem veroordeelde verdachte wegens diefstal tot een geldboete van €150,-. Verdachte stelde in hoger beroep een niet-ontvankelijkheidsverweer in op grond van schending van zijn aanwezigheidsrecht, omdat hij na heenzending was uitgezet naar Armenië en daardoor niet aanwezig kon zijn bij de behandeling van zijn zaak.
Het hof verwierp dit verweer omdat niet aannemelijk was dat verdachte feitelijk niet aanwezig kon zijn en omdat verdachte zijn raadsvrouw had gemachtigd om namens hem te pleiten. Ook was geen schorsing van de zitting gevraagd om alsnog aanwezig te kunnen zijn. De Hoge Raad bevestigt deze beoordeling en oordeelt dat een schending van het aanwezigheidsrecht niet automatisch leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zonder dat sprake is van ernstige procesrechtelijke tekortkomingen.
De Hoge Raad benadrukt dat het aanwezigheidsrecht praktisch en effectief moet zijn en dat de staat een inspanningsverplichting heeft om dit recht te waarborgen. In sommige gevallen kan schorsing van de behandeling noodzakelijk zijn. In deze zaak faalt het cassatieberoep, omdat het niet is vastgesteld dat het openbaar ministerie ernstig tekort is geschoten in de procesorde en omdat verdachte geen verzoek tot schorsing heeft gedaan.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het niet-ontvankelijkheidsverweer wordt afgewezen.