ECLI:NL:HR:2012:BX3797
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-van Kan
- J. Wortel
- N. Jörg
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid OM wegens schending aanwezigheidsrecht verdachte bij hoger beroep
De verdachte werd op 12 maart 2008 veroordeeld voor openlijk geweld en stelde hoger beroep in. Tijdens de procedure werd hij op 5 maart 2010 onverwacht uitgezet naar Congo, waardoor hij niet aanwezig kon zijn bij de zitting van 12 maart 2010. Het hof verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk omdat de verdachte zijn aanwezigheidsrecht niet kon uitoefenen door handelen van de overheid.
De verdediging stelde dat het OM niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens schending van artikel 6 EVRM Pro en de Vreemdelingencirculaire. Het hof oordeelde dat de uitzetting zonder bezwaar van het OM plaatsvond, dat de verdachte geen afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht en dat de raadsman onvoldoende compensatie bood.
De Hoge Raad stelde vast dat het hof ten onrechte aannam dat een schending van het aanwezigheidsrecht zonder vaststelling van ernstige inbreuk op de procesorde automatisch leidt tot niet-ontvankelijkheid van het OM. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug voor nieuwe berechting.
De uitspraak benadrukt het belang van het aanwezigheidsrecht van de verdachte en de voorwaarden waaronder het OM niet-ontvankelijk kan worden verklaard bij schending van dit recht.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde berechting wegens onjuiste toepassing van het recht op niet-ontvankelijkheid van het OM.