Conclusie
eerste middelwordt geklaagd dat de strafoplegging onvoldoende met redenen is omkleed, nu het Hof de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft opgelegd ter zake van handelen in strijd met art. 197 Sr Pro zonder in het arrest ervan blijk te hebben gegeven dat de stappen van de terugkeerprocedure zijn doorlopen.
tweede middelbehelst de klacht dat het recht van de verdachte op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn in de cassatiefase is geschonden, doordat het na het instellen van cassatieberoep meer dan acht maanden heeft geduurd alvorens de gedingstukken ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen. Die termijnoverschrijding is volgens de steller van het middel te wijten aan de omstandigheid dat het arrest niet binnen de daarvoor door de wet gestelde termijn met de bewijsmiddelen is aangevuld.