Uitspraak
1.Geding in cassatie
2 Beoordeling van het eerste middel
3.Slotsom
4.Beslissing
18 februari 2014.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wegens handelen in strijd met art. 197 (oud) Sr. In cassatie klaagde de verdachte dat het hof niet had vastgesteld dat de stappen van de terugkeerrichtlijn waren doorlopen, zoals vereist volgens eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad.
De Hoge Raad bevestigde in zijn arrest van 21 mei 2013 dat bij oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wegens overtreding van art. 197 (oud) Sr de rechter zich ervan moet vergewissen dat de terugkeerprocedure conform de richtlijn is gevolgd en dit in de motivering moet vermelden.
In het bestreden arrest ontbrak deze verificatie, waardoor het middel van de verdachte gegrond werd verklaard. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting en afdoening. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor wat betreft de strafoplegging en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.