Conclusie
middelklaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het op stotterende wijze praten tegen iemand die stottert als een mondelinge belediging in de zin van art. 266 Sr Pro kan worden gekwalificeerd.
Ik ben een ernstig stotteraar. Ik stotter al sinds mijn vijfde levensjaar. Ongeveer een maand geleden, ik weet dat het ongeveer 17.00 uur was, kwam ik terug met mijn hond. Ik zag dat [verdachte] met zijn auto kwam aangereden. Ik stond op dat moment in de hal en zag dat er flatgenoten aan kwamen gelopen. Ik hoorde dat [verdachte] antwoordde: "bende weer aan het klagen tegen andere mensen". Dit zei hij stotterend. Het was wel duidelijk dat hij mij hiermee nadeed. Hij wilde toen mijn hond aanraken waarop ik zei dat ik dat liever niet had. Hij antwoordde hierop: "jouw wijf raakt mijn hond ook aan". Dit zei hij wederom stotterend om te imiteren. Elke keer als hij dat doet voel ik een pijn door mijn lijf gaan. Een pijn die mij aan vroeger doet herinneren.
Het klopt dat ik [betrokkene 1] stotterend heb toegesproken op 9 maart 2010. Ik heb bewust tegen [betrokkene 1] gestotterd in de hoop dat dat hem zou kwetsen. Ik heb stotterend tegen [betrokkene 1] gepraat in de hoop dat hij dat niet leuk zou vinden en zou stoppen met mij aanspreken.
Ik weet wat u bedoelt met hetgeen zich heeft afgespeeld in de lift van mijn flat omstreeks 9 maart 2010. Ik ken de mensen in de flat helemaal niet, ik zie alleen de stotteraar (noot verbalisant: de in deze verklaring genoemde "stotteraar" betreft aangever [betrokkene 1]) regelmatig. Ik vind het niet normaal dat er zo tegen iemand gedaan wordt. Wij (noot verbalisant: het betreft hier [betrokkene 2] en zijn zoon [betrokkene 3]) kwamen binnen in de hal van de flat. De stotteraar stond al in de hal. De man kwam aanlopen. De man begon meteen met felle woorden tegen de stotteraar. Ik vond het erg beledigend. Hij maakte de stotteraar helemaal zwart.
Ik heb begrepen dat het over het voorval in de lift op 9 maart 2010 gaat. Wij kwamen thuis en de stotteraar kwam met de hond aanlopen. Vervolgens komt de man aangerend om nog bij ons de lift in te kunnen. De man begint gelijk op een stotterende manier over het parkeren van zijn auto te praten. De man sprak naar mijn idee opzettelijk stotterend tegen de stotteraar.”
(…)
Van de zijde van de verdachte is aangevoerd dat het stotterend toespreken van [betrokkene 1] door verdachte, gelet op de omstandigheden waarin het is gebeurd, niet als een belediging kan worden aangemerkt. De door verdachte gebruikte woorden waren een uiting van emotie, ontstaan als gevolg van een slepend conflict tussen verdachte en [betrokkene 1] en waren bedoeld omdat verdachte wilde dat [betrokkene 1] stopte met het toespreken van verdachte over de hinder die [betrokkene 1] ondervond van (het geluid van) de auto van verdachte. Derhalve dient, aldus de raadsman, vrijspraak te volgen van het ten laste gelegde.
Het hof stelt vast dat verdachte, die zelf niet stottert, luid en duidelijk en verstaanbaar voor [betrokkene 1] en enkele medebewoners van het flatgebouw waarin verdachte en [betrokkene 1] wonen, [betrokkene 1] stotterend heeft toegesproken terwijl verdachte en [betrokkene 1] samen met enkele medebewoners van het flatgebouw, in de lift stonden. [betrokkene 1] stottert en stond met dit gebrek ook bekend bij de medebewoners. Hij werd door hen ook wel "de stotteraar" genoemd. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij [betrokkene 1] bewust stotterend heeft toegesproken, in de hoop dat hij dat niet leuk zou vinden en dat hij hem daarmee zou kwetsen waardoor [betrokkene 1] zou ophouden met het toespreken van verdachte over het geluid van verdachtes auto.
Een uitlating die jegens iemand mondeling in zijn tegenwoordigheid is gedaan, moet als beledigend als bedoeld in artikel 266 van Pro het Wetboek van Strafrecht worden beschouwd, indien zij de strekking heeft die ander aan te randen in zijn eer en goede naam. Daarvan is niet alleen sprake als de uitlating woorden bevat die op zichzelf genomen een beledigend karakter hebben maar ook, zoals in het onderhavige geval, indien op stotterende wijze wordt gesproken tegen een persoon die stottert. Daaraan doet niet af dat verdachte met deze daad uiting zou hebben gegeven aan zijn emotie, ontstaan als gevolg van het slepende conflict tussen verdachte en [betrokkene 1]. Gelet op de omstandigheden waaronder en de manier waarop verdachte deze [betrokkene 1] heeft toegesproken, blijkt dat verdachte onmiskenbaar de bedoeling had om, hoorbaar voor anderen, een negatieve kwalificatie van het gedrag en/of de persoon van [betrokkene 1] te geven en deze aldus te beledigen, en dat dit ook als zodanig is en redelijkerwijs kon worden opgevat door [betrokkene 1].