AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad vernietigt beschikking hof over kinderalimentatie wegens onvoldoende motivering draagkracht vader
Partijen zijn gehuwd en hebben minderjarige kinderen. De vrouw verzocht echtscheiding en kinderalimentatie van €400 per maand per kind. De rechtbank wees dit toe, maar de man ging in hoger beroep en stelde dat hij geen draagkracht had en verzocht lagere alimentatiebedragen en partneralimentatie. Het hof schorste deels de uitvoerbaarheid en stelde kinderalimentatie vast op €165 per maand per kind, partneralimentatie wees het af.
Het hof oordeelde dat de vader onvoldoende inzicht gaf in zijn financiële situatie, onder meer vanwege de hoge huurprijs die hij betaalde ondanks een bijstandsuitkering en het niet benutten van inkomsten als muzikant. De man stelde dat het hof onvoldoende had onderzocht of sprake was van een onherstelbare inkomensvermindering en dat het oordeel onbegrijpelijk was.
De Hoge Raad stelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het de draagkracht van de vader zo heeft vastgesteld, met name omdat het oordeel over de muzikanteninkomsten en de bijstandsuitkering niet helder is onderbouwd. De motivering is onvoldoende inzichtelijk om controleerbaar en aanvaardbaar te zijn. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug voor nieuwe beoordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens onvoldoende motivering over de draagkracht van de vader en verwijst de zaak terug.
Voetnoten
1.Voor zover in cassatie van belang, zie de beschikking van de rechtbank Dordrecht van 4 juli 2012, rov. 2.1-2.2, van welke feiten ook het hof Den Haag is uitgegaan (zie zijn thans bestreden beschikking van 10 april 2013, p. 2 onder ‘Procesverloop in eerste aanleg en vaststaande feiten’), alsmede het daar vastgestelde feit van de inschrijving.
2.Eveneens voor zover in cassatie van belang. Zie de beschikking van de rechtbank van 4 juli 2012 onder ‘1. De Procedure’ en de beschikking van het hof van 10 april 2013 onder ‘Procesverloop in hoger beroep’.
3.Op het overgelegde inleidend verzoekschrift van het B-dossier staat een stempel van de rechtbank dat het verzoekschrift op 18 april 2012 bij de griffie is ingekomen.
4.Ik laat de verzoeken m.b.t. gewone verblijfplaats van de kinderen, de verdeling van de zorg- en opvoedtaken, het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap buiten beschouwing.
5.Tevens houdende incidenteel appel. Dit betreft een nadere invulling van de in de beschikking van de rechtbank bepaalde verdeling van de zorg- en opvoedtaken en is in cassatie niet van belang.
6.Het cassatieverzoekschrift is op 8 juli 2013 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen.
7.Aanvullend cassatieverzoekschrift van 7 augustus 2013. De aanvullingen betreffen de hierna te bespreken middelen 1 en 2 van het eerder ingediende cassatieverzoekschrift.
8.Met verwijzing naar de producties 2 en 4 bij de brief van 27 februari 2013 aan het hof.
9.Met verwijzing naar het verweerschrift van de vrouw in appel onder 16-20 en 61 en de brief van de man van 27 februari 2013 aan het hof, in het bijzonder de producties 7-10 bij die brief.
10.In het aanvullend verzoekschrift wordt verwezen naar het proces-verbaal van 8 maart 2013, p. 3 en de producties 7-9 bij de brief van 27 februari 2013 aan het hof.
11.Productie 5 bij de brief van 27 februari 2013 aan het hof.
12.Met verwijzing naar HR 23 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2556, (NJ 1998/707, m.nt. JdB); HR 10 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2964, (NJ 2000/82); HR 23 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4010, (NJ 2002/280, m.nt. JdB); M.A. Weenink, Gevolgen van inkomensverlies in het licht van de 90%-regel, Tijdschrift relatierecht en praktijk, 2011/4, p. 142. Zie echter hierna noot 16. 13.Met verwijzing naar HR 23 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998: ZC2556, (NJ 1998/707, m.nt. JdB); Asser-De Boer 2006, nr. 625a.
16.Overigens blijkt uit het proces-verbaal niet dat de advocaat van de man ter zitting van 8 maart 2013 een beroep heeft gedaan op de ‘90% regel’, zodat middel 3 in zoverre feitelijke grondslag mist.
18.Zie rov. 9 van de bestreden beschikking.