Conclusie
VEB c.s.)
one tier boardsysteem. Het bestuur is samengesteld uit ten hoogste zeventien leden. Leden van het bestuur die geen directiefuncties binnen de vennootschappen uitoefenen worden aangemerkt als non-
executivebestuurders. Leden van het bestuur die dat wel doen worden aangemerkt als
executivebestuurders. Het dagelijks bestuur van Fortis wordt gevoerd door een van de executive bestuurders als Chief Executive Officer (CEO). Fortis kent voorts een Executive Committee (ExCo), bestaande uit de (twee) executive leden van het bestuur en personen uit de organisatie van de Fortis groep, executive managers, die geen deel uitmaken van het bestuur.
‘final draft’) van die vergadering houden onder meer het volgende in:
:
2.Procesverloop
Criterium wanbeleid
Bijzondere zorgplicht van Fortis als (systeem)bank
Hindsight bias
Staartrisico
black swan, is een risico op financieel onheil waarvan de kans dat het werkelijkheid wordt, statistisch gezien uiterst klein is, maar waarvan de gevolgen (alsdan) zeer ernstig kunnen zijn. Men kan de vraag stellen of het bij de financiële crisis die geleid heeft tot – onder meer – de in het onderzoeksverslag beschreven gevolgen voor Fortis wel om een staartrisico ging en of Fortis – ook al ging het mogelijk om een geringe, maar niettemin niet te verwaarlozen kans – geen rekening had moeten houden met de mogelijkheid van dergelijke gevolgen en, zo ja, of zij dat voldoende heeft gedaan. Onderzoekers hebben echter (kennelijk) geen aanwijzingen gezien voor een van het standpunt van Fortis afwijkende beantwoording van deze vragen en zijn daarom niet (nader) op die vragen ingegaan. Zij hebben tot uitgangspunt genomen dat “de ineenstorting van het wereldwijde vertrouwen in financiële markten na de ondergang van Lehman Brothers niet echt te voorspellen was”, en dat “deze crisis als een uiterst onwaarschijnlijk ‘staartrisico’ beschouwd” moest worden (onderzoeksverslag 336), zodat – zo begrijpt de Ondernemingskamer het onderzoeksverslag – Fortis niet kan worden verweten dat zij met dat risico geen rekening hield. De Ondernemingskamer ziet in de stellingen van partijen onvoldoende aanleiding om (alsnog) nader op voormelde vragen in te gaan. De Ondernemingskamer zal het uitgangspunt van onderzoekers, dat Fortis niet kan worden verweten dat zij met voormeld risico geen rekening hield, volgen.”
Beslissing AFM 19 augustus 2010
Verzoek en indeling beschikking
beslissing deelname openbaar bod op ABN Amro
voortzetting participatie
material adverse changes-clausule (MAC-clausule) moeten inroepen. Van de zijde van Fortis is dit bestreden.
subprime-crisis, onder ogen heeft gezien, deze heeft gewogen en heeft geconcludeerd dat zij de MAC-clausule niet zou inroepen. In het licht hiervan overweegt de Ondernemingskamer dat niet kan worden gezegd dat Fortis daarmee onjuist handelde. Die beslissing, die behoort tot de beleidsvrijheid van de ondernemer, doorstaat de te dezen door de Ondernemingskamer aan te leggen marginale toetsing, waarbij de Ondernemingskamer mede in aanmerking neemt dat het deel van Fortis’ portefeuille dat destijds in verband met de
subprime-crisis redelijkerwijs als kwetsbaar kon worden beschouwd, beperkt was. In rov. 6.15 voegt de Ondernemingskamer hieraan nog toe, dat tot geen ander oordeel wordt gekomen, als de aangescherpte op Fortis rustende zorgplicht in aanmerking wordt genomen. Mede gelet op hetgeen was vastgesteld over het staartrisico, kan volgens de Ondernemingskamer niet gezegd worden dat Fortis tekort schoot door toen niet (reeds) te onderkennen dat de risico’s verder zouden kunnen gaan dan een weliswaar substantieel maar voor Fortis niet ondraaglijk verlies op die portefeuille.
look through-methode die Fortis hanteerde om haar solvabiliteit te monitoren (rov. 6.25-6.27), alsmede op de verschillende aspecten van het door Fortis gevoerde solvabiliteitsbeleid (algemeen, rov. 6.28; uitgangspunten, rov. 6.29-6.32; Ping An en Interparking, rov. 6.33-6.39; (verdere) additionele maatregelen, rov. 6.40-6.41; het staartrisico, rov. 6.42). Vervolgens komt de Ondernemingskamer in rov. 6.43 tot de volgende conclusies:
trading updatewelbewust over de
subprime-portefeuille selectieve, niet evenwichtige informatie te verschaffen waardoor een onjuist of onzuiver beeld werd opgeroepen, is Fortis ernstig tekortgeschoten en heeft zij gehandeld in strijd met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap. Dit levert wanbeleid op (Ten tweede sub a).
subprime-portefeuille in het prospectus en de
trading update.
3.Bespreking klachten
trading updateen (3) andere, gebrekkige communicatie richting aandeelhouders, beleggers en financiële markten. Naar de kern genomen heeft Fortis naar het oordeel van de Ondernemingskamer een te rooskleurig beeld geschetst van de werkelijke financiële stand van zaken en daarmee alsook door bepaalde informatie niet tijdig te verschaffen beleggers misleid. Op grond van dit handelen vernietigt de Ondernemingskamer het dechargebesluit over het jaar 2007.
hindsight). Onder B wordt betoogd dat de Ondernemingskamer een te strenge maatstaf heeft toegepast in het licht van de Richtlijn Marktmisbruik en de daarop gebaseerde Wft-voorschriften. Daarnaast werpt het cassatieverzoekschrift nog een achttal meer specifieke klachten op die gericht zijn tegen de oordelen van de Ondernemingskamer omtrent:
subprime,
hindsight biasweliswaar onderkent, maar het handelen en nalaten niet daadwerkelijk naar de situatie van destijds heeft beoordeeld. Blijkens de laatste alinea moet
onderdeel Ain samenhang worden gelezen met een aantal andere subonderdelen. [14] Voor zover die specifieke klachten behelzen met betrekking tot
hindsight bias, bespreek ik die klachten in het kader van het betreffende subonderdeel. Hier bespreek ik alleen de problematiek die
onderdeel A(meer) in het algemeen aansnijdt.
with the benefit of hindsight. Onderzoekers zijn zich van dit risico bewust geweest en hebben zich daarvan voortdurend rekenschap gegeven, aldus onderzoekers in het onderzoeksverslag onder 67. De Ondernemingskamer zal het handelen en nalaten van Fortis, van haar organen en van degenen die daarvan deel uitmaakten beoordelen naar de maatstaven die golden ten tijde van dat handelen of nalaten en aan de hand van de kennis en ervaring die Fortis, haar organen en degenen die daarvan deel uitmaakten toen hadden of behoorden te hebben. Dit laatste leidt nog tot de volgende opmerking. Naarmate op een (rechts)persoon (op een bepaald terrein) een zwaardere verantwoordelijkheid rust, zal hij ook scherper moeten opletten, opdat hem geen voor het voeren van een verantwoord beleid relevante feiten en omstandigheden ontgaan, en zal hij zijn besluitvorming – dan ook – moeten doen berusten op een zorgvuldige informatievoorziening, analyse en beoordeling. Dat betekent dat wat voor de één slechts een
hindsightinzicht is, onder omstandigheden voor de ander tot op zekere hoogte
foresightinzicht behoort te zijn. Het hiervoor genoemde maatschappelijk belang dat Fortis bij haar besluitvorming in aanmerking dient te nemen scherpt de norm voor hetgeen op dit punt van haar en haar organen in het kader van zorgvuldig bestuur en beheersing van risico’s kon worden verwacht, belangrijk aan. Ook dit een en ander heeft de Ondernemingskamer in het navolgende in het oog gehouden.”
hindsight biasen
outcome bias: [16]
hindsight biaswordt bedoeld dat een gebeurtenis voorspelbaarder wordt als we de afloop ervan al kennen; dan zijn mensen geneigd om te denken dat zij die uitkomst beter hadden kunnen voorzien dan in werkelijkheid het geval was. Bij
outcome biasvertekent kennis van de ongewenste afloop de waarneming en het oordeel van degenen die als deskundige over de gebeurtenissen moeten oordelen. Dat wijsheid achteraf in de vorm van
hindsightof
outcome biasin rechterlijke beslissingen een structurele rol speelt, is inmiddels empirisch voldoende aangetoond. Het is een systematisch verstorende factor en dit fenomeen laat zich niet zo maar bewust wegdenken (‘U mag bij uw overwegingen de ongelukkige afloop er niet in betrekken’), want die opdracht is net zo weinig kansrijk als het gebod ‘Denk
nietaan de roze olifant!’. De praktische consequentie is hier om de effecten van achterafbias door methodologische kunstgrepen te neutraliseren (..).”
in dubiis abstine.”
voornemenom het handelen en nalaten van Fortis te beoordelen naar het moment van dat handelen en nalaten niet heeft verwezenlijkt. Dat zou in het bijzonder gelden, waar de Ondernemingskamer heeft geoordeeld dat naarmate op een (rechts)persoon een zwaardere verantwoordelijkheid rust, de betrokkene “scherper [zal] moeten opletten opdat hem geen voor het voeren van een verantwoord beleid relevante feiten en omstandigheden ontgaan, en zal hij zijn besluitvorming - dan ook - moeten doen berusten op een zorgvuldige informatievoorziening, analyse en beoordeling. Dat betekent dat wat voor de één slechts een hindsight inzicht is, onder omstandigheden voor de ander tot op zekere hoogte foresight inzicht behoort te zijn”. Bij die aanzienlijke aanscherping van de voor Fortis en haar organen geldende norm vanwege het maatschappelijk belang dat zij bij haar besluitvorming in aanmerking dient te nemen in het kader van zorgvuldig bestuur en beheersing van risico's, heeft de Ondernemingskamer volgens het onderdeel miskend dat een relatief zware verantwoordelijkheid van de betrokkene er niet aan af doet dat die betrokkene ten tijde van het beoordeelde handelen of nalaten die toekomstige ontwikkelingen niet kent en de rechter die achteraf beoordeelt wel.
historian’s fallacy” heeft gemaakt. [21] Kroeze schrijft (ik citeer uitvoerig):
LJNBW0991). De Ondernemingskamer besteedt in haar beschikking expliciet aandacht aan de
hindsight bias. Zij merkt op dat de onderzoekers zich voortdurend rekenschap hebben gegeven van de
benefit of hindsight. Uit het onderzoeksverslag blijkt zelfs dat onderzoekers wetenschappelijke publicaties hebben bestudeerd waarin methoden worden beschreven om de
hindsight biaszo goed mogelijk te vermijden. De onderzoekers hebben veel zorgvuldigheid betracht. Dat neemt niet weg dat zij ook gelezen zullen hebben in die wetenschappelijke publicaties dat aan de
hindsight biasnauwelijks valt te ontkomen, zelfs niet als iemand zich hiervan voortdurend bewust is. Als aanvankelijke indrukken en overtuigingen zijn beïnvloed door latere kennis lijkt het vrijwel onmogelijk om te reconstrueren hoe de situatie zonder die kennis zou moeten worden beoordeeld. De Ondernemingskamer merkt nog op dat een (rechts)persoon scherper moet opletten als op hem een zwaardere verantwoordelijkheid rust, opdat hem geen voor het voeren van een verantwoord beleid relevante feiten en omstandigheden ontgaan. Dat betekent, aldus de Ondernemingskamer, dat wat voor de een slechts een
hindsight-inzicht is, onder omstandigheden voor de ander tot op zekere hoogte
foresight-inzicht behoort te zijn. Volgens mij doet de Ondernemingskamer met deze opmerking geen recht aan de realiteit van het verschijnsel van de
hindsight bias. Zij eist hiermee dat Fortis en de bij haar betrokkenen moesten kunnen voorzien wat voor anderen alleen achteraf is te zien.
hindsight biasis onontkoombaar. Terughoudendheid bij de toedeling van individuele verantwoordelijkheid is daarom geboden als te goeder trouw is gehandeld. Het is daarom goed dat de Ondernemingskamer in de
Fortis-zaak niet heeft vastgesteld wie verantwoordelijk is voor het wanbeleid en het zou naar mijn oordeel beter zijn als de rechtbank over de functionarissen van Fortis terughoudender zou hebben geoordeeld.”
hindsight biasdoet
,waar wordt geëist dat Fortis en de bij haar betrokkenen voorzagen wat voor anderen alleen achteraf te zien was. De Ondernemingskamer overweegt hier mijns inziens niets meer (en niets minder) dan dat van banken wat de (ontwikkelingen op de) financiële markten betreft over het algemeen meer kennis en inzicht mag worden verwacht dan van (de meeste) niet-banken. De vraag óf de bank die kennis of dat inzicht had of had moeten hebben, dient onverminderd beoordeeld te worden naar het moment waarop het litigieuze handelen of nalaten plaatsgreep. Dat laatste wordt in rov. 4.5 door de Ondernemingskamer volgens mij niet uit het oog verloren, integendeel. De Ondernemingskamer overweegt slechts dat datgene wat
destijdsvan de bank verwacht mocht worden, wordt bepaald of ingekleurd door de
evenzeer destijdsop de bank rustende zorgplicht.
hindsight bias. In zoverre kan
onderdeel Aniet tot cassatie leiden. Ik merk daarbij meteen op dat het niet eenvoudig zal zijn aan te tonen dat een rechter zich schuldig heeft gemaakt aan (ontoelaatbare)
hindsight bias. Dat is evenwel denkbaar, in het geval dat een onderzoeksvraag suggestief is geformuleerd of als de bevindingen van onderzoekers en/of het oordeel van de rechter niet (goed) aansluit(en) bij de vastgestelde feiten en omstandigheden. Waar andere subonderdelen deze klacht concreter uitwerken, wordt in de betreffende kaders op de problematiek van
hindsight biasteruggekomen.
Fortis-case de nasleep ervan.” [23] De onderhavige enquêteprocedure is niet de enige uitloper van de
Fortis-case. Beleggers hebben – met succes – bij de rechtbank Utrecht een aansprakelijkheidsprocedure geëntameerd tegen Fortis en haar (voormalig) bestuurders. [24] In België worden de bestuurders van Fortis ook strafrechtelijk vervolgd. Daarnaast – en met betrekking tot het voorliggende onderdeel het meest van belang – lopen er (naar verluidt) nog steeds bestuursrechtelijke procedures, waarin Fortis door de AFM aan haar opgelegde boetes bestrijdt. Kortom, de Ondernemingskamer was en is niet de enige (rechterlijke) instantie die zich over het handelen en nalaten van Fortis in de betrokken periode te buigen had.
onderdeel Bdat de aangescherpte norm die de Ondernemingskamer op Fortis legt strijdig is met de maximumharmonisatie in de Europese richtlijnen die ten grondslag liggen aan de toepasselijke (lichtere) Wft-normen. Daarbij zou het met name gaan om art. 1 lid 2 juncto Pro 5 en 6 van de Richtlijn Marktmisbruik. [28] Volgens het onderdeel zou de maximumharmonisatie worden ondergraven, als de Europeesrechtelijke normstelling (alsnog) zou worden aangescherpt en wanbeleid zou kunnen worden aangenomen, terwijl het litigieuze handelen of nalaten onder de toepasselijke Europese regels is toegestaan.
onderdeel Bvervatte klacht loopt stuk op het feit dat de Ondernemingskamer terecht heeft geoordeeld – ik herhaal nog eens: in lijn met de in feitelijke instantie door Fortis betrokken stellingen – dat de norm die in de onderhavige procedure centraal staat, een andere is dan de normen die te vinden zijn in de Wft en de daaraan ten grondslag liggende richtlijnen. Anders dan Fortis (in cassatie) betoogt wordt de nationaalrechtelijke norm van wanbeleid niet, of in elk geval niet alleen ingekleurd door de Wft en de daaraan ten grondslag liggende Europeesrechtelijke normen.
onderdeel B– die er in wezen op neerkomt – dat de enige eisen die aan het communicatiebeleid van Fortis kunnen worden gesteld “binnen de reikwijdte van de artt. 5:53, 5:58 en 5:59 (oud) van de Wft” (blz. 15) liggen, gaat niet op. Niet alleen de plaats die Fortis als systeembank in de samenleving inneemt, maar ook het belang van de onderneming die Fortis drijft zélf brengt met zich dat Fortis’ zorgplicht verder reikt, althans kan reiken dan de normen die in Wft en de Richtlijn Marktmisbruik worden gesteld. Dit uitgangspunt wordt in
onderdeel Boverigens ook niet, althans niet deugdelijk bestreden.
primaireklacht van
onderdeel Bdat de Ondernemingskamer een aangescherpte norm heeft toegepast, als er in de bestuursrechtelijke kolom (vooralsnog) van wordt uitgegaan dat Fortis de (niet aangescherpte) Wft-normen heeft geschonden. Datzelfde geldt voor de
subsidiaireklacht dat de “civielrechtelijke benadering” niet strenger mag zijn dan het “toezichtsrecht”. Waar het onderdeel aanvoert dat geen wanbeleid kan worden aangenomen “op grond van gedragingen die wel binnen de reikwijdte van die normen vallen, maar nu juist niet met die normen in strijd zijn”, is Fortis – zonder nadere toelichting, die ontbreekt – niet te volgen.
trading updatevan 21 september 2007 (de
trading update) die integraal is opgenomen in het prospectus, over haar
subprime-portefeuille selectieve, niet evenwichtige informatie heeft verstrekt waardoor een onjuist of onzuiver beeld werd opgeroepen. Daarmee is Fortis, zo concludeert de Ondernemingskamer in rov. 6.61, volgens de Ondernemingskamer ernstig tekortgeschoten. Fortis heeft daarmee het risico genomen dat het vertrouwen in de bank werd ondermijnd. Volgens de Ondernemingskamer kan dit tekortschieten niet worden aangemerkt als slechts een incidentele beleidsfout. Gelet op de betrokken belangen, waaronder de belangen van diegenen die in Fortis belegden of dat overwogen te doen of te beëindigen, heeft Fortis gehandeld in strijd met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap. Haar tekortschieten levert op dit punt daarom zelfstandig wanbeleid op, zo overweegt de Ondernemingskamer, waarbij acht wordt geslagen op (a) het belang dat gemoeid is met correcte informatieverschaffing in een prospectus in het algemeen alsmede (b) de omstandigheid dat de verstrekte informatie op hoog niveau en – zoals uiteraard ook vereist is – terdege is voorbereid maar niettemin tekortschoot als overwogen.
subprime-portefeuille;
subprime-portefeuille was toen ongeveer € 8,7 miljard;
subprime-markt opgedroogd, als gevolg waarvan Fortis de portefeuille ten dele niet meer op basis van marktgegevens kon waarderen en daarom het betrokken deel moest waarderen op basis van ‘
Mark-to-model’;
trading update(slechts):
Update on Fortis’ well-managed risk exposure
subprime-markt en dat dit gevolgen had voor krediet- en financiële markten in het algemeen, maar dat de omvang van de
subprime-portefeuille van Fortis en de daarmee voor Fortis gemoeide risico’s gering waren. Volgens de Ondernemingskamer heeft Fortis door op te merken dat het neerwaartse risico ten aanzien van de portefeuille dankzij het door Fortis gevoerde strategische (investerings)beleid een niet-materieel risico van € 20 miljoen zou bedragen, een (te) gunstig beeld geschetst.
subprime-portefeuille van Fortis ten bedrage van € 8,7 miljard in verhouding tot haar totale beleggingsrisico ten bedrage van € 317 miljard beperkt is. Dat neemt echter niet weg dat die totale blootstelling van € 8,7 miljard wel substantieel is;
subprime-markt en de waardering van de betrokken beleggingen (voor een deel daarvan:
Mark-to-model) voordeden, meer informatie had moeten verstrekken;
non-materialzouden zijn, berustte op een mogelijk verlies van € 350-400 miljoen, althans een relatief substantieel verlies, berekend over slechts een deel van de portefeuille, te weten de meest riskante categorie,
Below Mezzanine, ten bedrage van – inmiddels – € 569 miljoen;
subprime-markt met 20% naar schatting zou leiden tot een additioneel negatief effect van € 20 miljoen (anders dan de overige door de Ondernemingskamer vermelde bedragen is dit het bedrag na belastingen; vóór belastingen is het: € 31 miljoen), gebaseerd was op slechts een relatief klein deel van de totale blootstelling. Als ik de Ondernemingskamer hier goed begrijp, wordt bedoeld dat door Fortis de indruk is gewekt dat het neerwaartse risico ten aanzien van de portefeuille van € 8,7 miljard een niet-materieel risico van € 20 miljoen zou bedragen, terwijl het bedrag van € 20 miljoen euro slechts ziet op een deel van de portefeuille.
subprime-portefeuille te verschaffen. Nu zij die keus maakte, behoorde zij die informatie volgens de Ondernemingskamer evenwichtig en volledig te verschaffen en dit in ieder geval niet – zoals hier geschiedde – zodanig selectief te doen dat daardoor een onjuist of onzuiver beeld kon ontstaan. De Ondernemingskamer overweegt dat dit verschaffen van informatie of inzicht op verschillende manieren kan geschieden en in verschillende gradaties van concretisering en detaillering. Wat evenwichtig en volledig is hangt af van de omstandigheden.
trading updateten aanzien van de
subprime-blootstelling daardoor – gelet op de omstandigheden die zich toen voordeden en op hetgeen Fortis daaromtrent toen wist – niet evenwichtig en niet volledig waren, integendeel selectief informatie verschaften en aldus een onjuist of onzuiver beeld opriepen. Dat baseert de Ondernemingskamer op de volgende gronden:
some exposure’);
subprime-portefeuille, dat het ook overigens om geringe bedragen ging en dat het daarom – of anderszins – wel meeviel, zodat verdere, niet vermelde gegevens aan dat beeld niet zouden afdoen;
subprime-beleggingen destijds stonden – een ander, minder geruststellend beeld zou hebben gekregen, indien Fortis ook informatie over, althans inzicht in de beperkte grondslag van haar gepubliceerde constateringen alsmede informatie over, althans inzicht in de totale blootstelling zou hebben verschaft.
subprime-portefeuille alsmede het belang dat de buitenwereld daaraan hechtte destijds binnen Fortis werd onderkend. Door niettemin en, zo blijkt uit het par. 480 van het onderzoeksverslag, welbewust over die portefeuille selectieve, niet evenwichtige informatie te verschaffen waardoor een onjuist of onzuiver beeld werd opgeroepen, is Fortis ernstig tekortgeschoten.
onderdeel I.3. Dat doe ik ook.
onderdeel I.1.1ook wordt onderkend, niet gebaseerd is op enige verplichting voor Fortis om de informatie aangaande de
subprime-portefeuille openbaar te maken. Het gaat de Ondernemingskamer erom dat Fortis, nú zij ervoor heeft gekozen het publiek hierover te informeren, geen onjuist beeld had mogen creëren.
onderdeel Bblijkt dat en waarom de in
onderdeel I.1.2vervatte klachten niet kunnen opgaan. Om niet in herhaling te vallen verwijs ik naar hetgeen in het kader van
onderdeel Bis opgemerkt. Daarbij merk ik nog wel op dat het enkele feit dat de AFM Fortis niet heeft beboet voor schending van art. 5:58 lid 1 sub d Wft Pro (oud), anders dan het onderdeel betoogt niet tot een ander oordeel noopt. Immers brengt die omstandigheid geenszins mee, laat staan dat dat in de onderhavige enquêteprocedure zou vaststaan, dat geen sprake is van misleiding.
Onderdeel I.2betoogt dat het oordeel van de Ondernemingskamer in rov. 6.51-6.52 en 6.61 dat de in de
trading updateen het prospectus verstrekte informatie onevenwichtig en onvolledig was, op onjuiste uitgangspunten berust en om die reden onjuist, althans onbegrijpelijk is.
Onderdeel I.2.1voert daartoe aan dat een verlies van € 350-400 miljoen voor belastingen (€ 110 miljoen na belastingen) op een verwacht netto resultaat van € 4,2 miljard niet substantieel is
. Onderdeel I.2.2betoogt dat er destijds geen reden was om een Materialiteits- en Sensitiviteitsanalyse uit te voeren op de rest van de portefeuille in het licht van hetgeen toen bekend was en dat daarmee het uitvoeren van een berekening over € 569 miljoen betekende dat een berekening werd uitgevoerd over de gehele portefeuille.
onderdeel I.2volgens mij niet geklaagd dat de Ondernemingskamer van onjuiste feitelijke uitgangspunten is uitgegaan, maar wordt aangevoerd dat de Ondernemingskamer aan de betreffende – op zichzelf juiste – feitelijke uitgangspunten teveel gewicht heeft toegekend. Het oordeel van de Ondernemingskamer vloeit voort uit de in rov. 6.46 weergegeven par. 473-490 van het onderzoeksverslag. De onderzoekers menen dat Fortis in de
trading updateen het prospectus voor een juist en volledig beeld ook de volgende gegevens had moeten verstrekken:
zoals op dat momentdoor Fortis intern als ook door de buitenwereld en de toezichthouders, gepercipieerd – bovengenoemde (ontbrekende) informatie over de subprime-portfolio van Fortis in het prospectus geadresseerd moeten worden en kon niet volstaan worden met de informatie die Fortis in het prospectus wel had opgenomen. Naar de mening van onderzoekers is de handelwijze van Fortis met betrekking tot haar verplichting tot een correcte informatievoorziening in het prospectus ten behoeve van het beleggend publiek, ook meewegende de argumenten welke in het wederhoorproces naar voren zijn gebracht, niet (goed genoeg) verdedigbaar.
trading updateen het prospectus in plaats van het verlies van € 350-400 miljoen (voor belastingen) waar intern rekening mee werd gehouden, op grond van de verwachting van Fortis dat de impact zou worden ondervangen door een
loan-loss-voorziening (zie par. 480 van het onderzoeksverslag). De mededeling van Fortis in de
trading updateen het prospectus dat zij dankzij verstandig investeringsbeleid niet of nauwelijks last zou hebben van de ontwikkelingen op de
subprime-markt, strookt niet met die verklaring (achteraf). De onderzoekers hebben in par. 481-487 duidelijk gemaakt waarom de
loan-loss-voorziening de (niet-)verstrekte informatie niet kan rechtvaardigen. In cassatie wordt hier niet op ingegaan, laat staan dat een en ander wordt bestreden. Wel wordt aangevoerd dat de onjuiste weergave gelet op het totaalplaatje niet-materieel oftewel verwaarloosbaar was. De vraag is mijns inziens niet of al dan niet materieel effect te verwachten was op het (jaar)resultaat, maar of een redelijk handelend belegger van de verstrekte informatie waarschijnlijk gebruik zal maken om er zijn beleggingsbeslissing (ten dele) op te baseren (par. 481 van het onderzoeksverslag). De klacht gaat dan ook langs het oordeel van de Ondernemingskamer heen dat aanvullende informatie verstrekt had moeten worden teneinde het beleggend publiek een evenwichtig en volledig beeld te verschaffen en dat de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone belegger door de door Fortis in de
trading updateen het prospectus verschafte informatie ten onrechte werd gerustgesteld.
onderdeel I.3.1) en ten tweede dat de Ondernemingskamer ten onrechte essentiële stellingen van Fortis heeft gepasseerd, althans zonder deugdelijke motivering (
onderdeel I.3.2).
trading updateen het prospectus naar buiten bracht, gunstiger was dan de informatie waarover zij intern beschikte en waarvan zij zelf uitging. Fortis heeft die informatie ten onrechte niet met het publiek gedeeld, terwijl zij er wel voor gekozen had om informatie te verschaffen. De opmerking van onderzoekers in par. 474 dat niet is gebleken dat binnen Fortis met cijfers en inschattingen is gemanipuleerd, heeft betrekking op de manier waarop intern met informatie werd omgegaan. Die opmerking doet niets af aan de constatering van de discrepantie tussen de kennis die intern beschikbaar was en de informatie die aan het beleggend publiek werd verschaft door de onderzoekers en het daarop gebaseerde oordeel van de Ondernemingskamer dat de informatieverstrekking in vergelijking met de gegevens waarover Fortis beschikte en waarvan zij zelf uitging, onvoldoende was.
onderdeel I.3.1dat uit het onderzoeksverslag niet zou blijken dat Fortis welbewust onevenwichtige en onvolledige informatie heeft gedeeld, gaat gelet hierop niet op.
onderdeel I.3.2wordt, net als in
onderdeel I.1.2, een beroep gedaan op de “omstandigheid” dat de AFM Fortis niet heeft beboet op grond van art. 5:58 lid 1 sub d Wft Pro. Dat beroep gaat ook in dit verband niet op. Kortheidshalve verwijs ik naar
onderdeel I.1.2.
foresightzou moeten hebben gehad ten aanzien van het effect dat haar
subprime-blootstelling uiteindelijk (in 2008) heeft gehad en dat Fortis (mede) in het licht van dit
foresightgebrekkig heeft gecommuniceerd over haar
subprime-blootstelling in het prospectus en de
trading update. Het onderdeel betoogt dat men dit oordeel slechts met kennis van het uiteindelijke verloop van wat later de
subprime-crisis is genoemd kan vellen, dus door rechtens onjuist met kennis achteraf te oordelen.
trading updatenaar buiten werden gebracht. Dat
subprime-beleggingen destijds – ook zonder over
hindsightte beschikken – in een “kwade reuk” stonden en dat Fortis daarmee bekend was, kan bij lezing van het hoofdstuk 4.4 (“Subprime-informatie in relatie tot het prospectus van 24/25 september 2007 betreffende de aandelenemissie”; par. 382 e.v.) van het onderzoeksrapport moeilijk worden betwist. De stellingen waaraan Fortis in
onderdeel I.3.2refereert, maken dit niet anders, laat staan dat zij nopen tot een ander oordeel.
trading updateheeft geïnformeerd. Daarbij hoefde de Ondernemingskamer geen acht te slaan op de halfjaarcijfers van Fortis. Het oordeel van de Ondernemingskamer is noch onjuist, noch onvoldoende gemotiveerd. Dat alle omstandigheden van het geval in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling van de vraag of sprake is van wanbeleid, noopt niet tot de gevolgtrekking dat de halfjaarcijfers het scheve beeld zouden hebben moeten kunnen corrigeren dat bij het beleggend publiek was gecreëerd door onevenwichtige en onvolledige informatieverstrekking in het prospectus en de
trading update.
onderdeel II.1wordt geklaagd dat de Ondernemingskamer in rov. 6.23-6.43 een oordeel heeft geveld “dat alleen met wetenschap achteraf, oftewel
hindsight, geveld kan worden.”
Onderdeel Awordt hier toegespitst op het oordeel van de Ondernemingskamer aangaande Fortis’ solvabiliteitsbeleid.
Onderdeel II.1.1signaleert innerlijke inconsistenties in de beschikking van de Ondernemingskamer en klaagt dat het oordeel niet strookt met andere vaststellingen van de Ondernemingskamer.
Onderdeel II.1.2voegt daaraan toe dat het bestreden oordeel onbegrijpelijk is in het licht van alle (additionele) maatregelen die Fortis heeft genomen om de buffers bestand te doen zijn, althans deze te vergroten tegen “het (snel) stijgende water”.
onderdeel II.1.1is het oordeel van de Ondernemingskamer niet goed te rijmen met een viertal vaststellingen van de Ondernemingskamer, te weten:
- a) “dat in het originele plan waarmee in de solvabiliteitsbehoefte zou worden voorzien (het Solvabiliteitsplan), rekening was gehouden met de mogelijkheid dat de omstandigheden zich zouden wijzigen en dat het plan de toets der kritiek kon doorstaan” (rov. 6.4-6.5);
- b) dat Fortis in de onderzochte periode steeds heeft voldaan aan de voor haar geldende solvabiliteitseisen (rov. 6.25);
- c) dat Fortis niet kan worden verweten dat zij geen rekening hield met de verwezenlijking van het zogeheten staartrisico (rov. 4.6-4.7);
- d) dat “met Fortis – mede gelet op het onder de algemene opmerkingen naar aanleiding van het staartrisico overwogene – wel [aangenomen kan worden] dat Fortis de uiteindelijke ernst van de ontwikkelingen niet voorzag en niet hoefde te voorzien, dat deze dus (ook) haar “
hindsightte oordelen, althans door
foresightvan Fortis te eisen dat zij de wijziging van omstandigheden zoals deze zich in 2008 heeft voorgedaan had moeten voorzien. Het onderdeel verwijst ook hier naar de bijdrage van Kroeze in RM Themis, waar in het kader van
onderdeel Areeds op in is gegaan.
onderdeel II.1.1aanvoert, zie ik geen discrepantie tussen de door het onderdeel bestreden en de in het onderdeel aangehaalde rechtsoverwegingen van de Ondernemingskamer. Over de vaststelling onder (a) moet worden opgemerkt dat de aangevallen rechtsoverwegingen zien op de periode na gestanddoening van het bod (zie ook rov. 6.17), terwijl het oordeel van de Ondernemingskamer in rov. 6.4-6.5 ziet op de financieringsplanning in de aanloop naar en ten tijde van het bod. Met betrekking tot (b) heeft de Ondernemingskamer in rov. 6.25 geoordeeld:
onderdeel II.1.2betoogt dat de Ondernemingskamer onvoldoende rekening heeft gehouden met de additionele maatregelen die Fortis heeft genomen, merk ik op dat de Ondernemingskamer de door Fortis genomen maatregelen heeft onderkend, maar van oordeel is “dat Fortis te lang heeft gewacht met het nemen respectievelijk concretiseren van additionele maatregelen en dat die maatregelen onvoldoende waren” (rov. 6.41). Wordt het onderzoeksverslag erop nageslagen, dan blijkt dat de onderzoekers hebben geconstateerd dat er een wassend “equity gap” in de
look throughbenadering ontstond, dat er steeds weer nieuwe gaten werden geslagen in het financieringsplan en dat de buffers die aanvankelijk waren opgeworpen slonken totdat die niets meer voorstelden. De maatregelen die Fortis daarop nam, waren volgens de onderzoekers onvoldoende om het tij te kunnen keren. Zie par. 233-284 alsook de daarop volgende conclusies van de onderzoekers. Tegen deze achtergrond is het (feitelijke) oordeel van de Ondernemingskamer niet onbegrijpelijk. Hetgeen het onderdeel daartegen inbrengt, noopt niet tot een ander oordeel.
onderdelen II.3en
II.4wordt besproken.
onderdeel II.2wordt opgekomen tegen rov. 6.24-6.27. De klachten zijn verdeeld over 13 subonderdelen, uitgesmeerd over een kleine dertig pagina’s. In rov. 6.25 oordeelt de Ondernemingskamer dat:
- Fortis in de aanloop van de overname niet alleen aan de solvabiliteitseisen moest voldoen, maar er (onder meer op basis van de afspraken met DNB) voor moest zorgen dat zij ook na de overname aan die eisen zou voldoen;
- de
- in die scenario’s de CDO’s lager gewaardeerd hadden moeten worden en de mogelijkheid verdisconteerd had moeten worden dat de Ping An en Interparking transacties zouden mislukken, welke geplande voornoemde desinvesteringen immers wezenlijke opbrengsten hadden moeten opleveren.
look through“nog enkele verdere opmerkingen”. De Ondernemingskamer bespreekt verschillende stellingen en weren van Fortis, die volgens de Ondernemingskamer niet opgaan. Zo overweegt de Ondernemingskamer dat de stelling van Fortis dat de uitkomst van de
look throughin mei 2007 niet ter zake deed, niet opgaat. Dat blijkt volgens de Ondernemingskamer alleen al uit het feit dat Fortis zelf met die uitkomsten rekende en dat die richtinggevend waren voor het beleid van Fortis, zij het naar het oordeel van de Ondernemingskamer te laat en niet voldoende.
onderdelen II.2.3-II.2.4stuk, waarin wordt geklaagd dat de solvabiliteitsplannen zodanig waren opgesteld dat zij buffers bevatten waardoor eventuele tegenslagen konden worden opgevangen en dat er ten tijde van het opstellen van het solvabiliteitsplan in voorjaar/zomer 2007 geen aanleiding bestond om te veronderstellen dat de CDO’s lager zouden moeten worden gewaardeerd. Waar het de Ondernemingskamer om gaat is dat de buffers na verloop van tijd niet bestand bleken tegen de negatieve ontwikkelingen en dat de CDO’s steeds meer onder druk kwamen te staan. Daarop had Fortis (beter) moeten inspelen.
onderdelen II.2.1-II.2.2wordt geklaagd dat het oordeel van de Ondernemingskamer in rov. 6.24 inhoudende dat het bestaan van “tijdsruimte” om de financieringsplannen nader vorm te geven en uit te voeren “tevens het risico impliceerde dat de omstandigheden juist (verder of opnieuw) zouden verslechteren” onvoldoende gemotiveerd is, gelet op het feit dat de financieringsplannen zijn besproken met de Nederlandse en Belgische toezichthouders. Aangevoerd wordt dat hieruit volgt “dat de kans op een gunstige uitkomst groter was dan op een ongunstige uitkomst” en dat de toezichthouders nooit toestemming zouden hebben gegeven voor de overname als de voornoemde kansen anders werden ingeschat. Deze onderdelen miskennen dat het wanbeleid door de Ondernemingskamer niet gebaseerd is op de beslissing van Fortis om ABN AMRO over te nemen, maar op de grond dat Fortis onvoldoende (tijdig) heeft ingespeeld op de ongunstige ontwikkelingen in de financiële wereld die haar eigen financiële positie in gevaar brachten.
onderdeel II.2.5wordt geklaagd over het oordeel van de Ondernemingskamer in rov. 6.25 dat “[i]n het stress case scenario (..) – in beperkte mate – rekening [werd] gehouden met negatieve ontwikkelingen (onderzoeksverslag 287 en volgende). Fortis nam in dit scenario bepaalde potentiële tegenvallers op, zoals een verdere daling van aandelenkoersen en de lagere opbrengsten uit sommige desinvesteringen, maar niet – evenmin als in het base case scenario – bijvoorbeeld een lagere waardering van de (alle) CDO’s of het mislukken van de transacties met Ping An en Vinci, die – zoals hierna zal blijken – juist wezenlijke desinvesteringsopbrengsten hadden moeten opleveren.” Volgens het onderdeel heeft de Ondernemingskamer onvoldoende gerespondeerd op de essentiële stellingen die Fortis in dit verband heeft geponeerd. Ik herhaal nog eens dat de Ondernemingskamer niet heeft geoordeeld dat Fortis niets heeft gedaan, maar dat hetgeen zij heeft gedaan onvoldoende is. Waar de Ondernemingskamer heeft geoordeeld dat Fortis heeft verzuimd “de (alle) CDO’s” lager te waarderen, wordt door het onderdeel verwezen naar een persbericht van 27 januari 2008, een “Risk and Capital Dashboard”, eerste-kwartaalresultaten over 2008, een presentatie voor de
Executive Risk and Capital Committee(hierna: ERCC) van 19 mei 2008, en de notulen van de vergadering van de ExCo op 16 juni 2008. Daaruit blijkt – zo geeft het onderdeel ook aan – dat Fortis
rekeninghield met de mogelijk lagere waardering van CDO’s. Fortis maakt met alle omstandige verwijzingen in het onderdeel niet aannemelijk dat zij in haar solvabiliteitsplanning daar (tijdig) concreet gevolg aan heeft gegeven. Daarop loopt deze klacht tegen het - overigens ook niet onbegrijpelijke - oordeel van de Ondernemingskamer stuk.
onderdeel II.2.7klaagt Fortis over het oordeel van de Ondernemingskamer in rov. 6.25 dat er “redelijkerwijs” vanuit moet worden gegaan “dat het beleid erop gericht was dat de solvabiliteit ook bij een stress case scenario in beginsel geen tekort zou vertonen” en in rov. 6.98 “dat Fortis het nu juist – terecht – noodzakelijk achtte om maatregelen te nemen die zouden bewerkstelligen, dat zij haar solvabiliteitsdoelstellingen per eind 2009, na de volledige afsplitsing en integratie van ABN Amro, zou kunnen waarmaken, ook indien zich onverhoopt wel een stress case zou voordoen.” Het onderdeel haalt verschillende passages uit het verweerschrift aan waar gesteld was dat ook bij een stress scenario de solvabiliteit in beginsel geen tekort zou vertonen. Het onderdeel voert aan dat er wel maatregelen werden voorbereid, maar dat die pas zijn uitgevoerd nadat de (economische) omstandigheden onverhoopt verslechterden in de tweede helft van 2008. Het onderdeel legt de vinger op de zere plek. Er werd weliswaar gesproken over de verslechterende marktomstandigheden, maar er werd onvoldoende actie ondernomen. Zie ook hetgeen de Ondernemingskamer overigens overweegt in rov. 6.98. De maatregelen hadden eerder genomen moeten worden.
look throughsolvabiliteit ultimo 2008 en op basis daarvan onjuiste conclusie(s) heeft getrokken. Het onderdeel is opgedeeld in drieën (a, b en c).
look throughsolvabiliteit per eind 2008, die – naar de Ondernemingskamer op grond van het onderzoeksverslag begrijpt – zag op de verwachte situatie na de integratie van Private Banking en Commercial Banking maar nog voor de integratie van Retail Banking (onderzoeksverslag 258), positief behoorde uit te vallen.”
look throughwerd uitgegaan van de (impact van de) volledige integratie van ABN AMRO binnen Fortis (oftewel
Private Banking,
Commercial Bankingén
Retail Banking). Onder c. wordt geklaagd dat de Ondernemingskamer buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door feiten aan haar beslissing ten grondslag te leggen die niet door partijen zijn gesteld of anderszins in het geding aan haar ter kennis zijn gekomen.
look throughcijfers voor zover deze een prognose voor de solvabiliteit per eind 2008 gaven, wél relevant zijn. Wat er van de mate van integratie ook zij, het gaat de Ondernemingskamer (in navolging van de onderzoekers) erom dat het
base scenarioen het
stress scenarioeen tekort van € 1,1 miljard respectievelijk € 6,8 miljard aangaven voor het laatste kwartaal van 2008. Een eventuele onjuiste aanname over de mate van integratie in het kader van deze
look through, laat onverlet dat de betreffende berekening geen gunstig toekomstbeeld schetst, terwijl Fortis – zo overwoog de Ondernemingskamer in rov. 6.25 – een ook op de toekomst gericht beleid tot behoud van de vereiste solvabiliteit diende te voeren. In zoverre is het oordeel van de Ondernemingskamer dat die cijfers c.q. prognose wél terzake doen, niet onbegrijpelijk. Dat het beeld niet rooskleurig was, wordt op zichzelf genomen niet bestreden.
look throughter zake doet. Het enkele feit dat Fortis – naar zij ook zelf stelt – solvabiliteitsversterkende maatregelen had getroffen om het tij te keren, onderstreept veeleer dat de betreffende prognose ertoe deed. Overigens heeft de Ondernemingskamer in rov. 6.92 – in cassatie niet (voldoende) bestreden – geoordeeld dat “met de look through beoordeling de solvabiliteit van Fortis werd berekend zoals die er naar verwachting zou uitzien per eind 2008 respectievelijk 2009 mèt uitvoering van het solvabiliteitsplan (verweerschrift 6.3.11 en 14). De ter versterking van de solvabiliteit voorgenomen maatregelen maakten derhalve deel uit van het solvabiliteitsplan. Dat betekent dat een look through tekort erop wijst dat het solvabiliteitsplan niet toereikend was en Fortis pas weer on track zou zijn, indien het plan zou zijn aangepast en de look through beoordeling als gevolg ervan een positief saldo zou uitwijzen.” Waar het onderdeel refereert aan de normen onder
Basel IIen stelt dat de
look throughonder die normen een buffer van € 0,9 miljard liet zien in plaats van een tekort, heeft de Ondernemingskamer in rov. 6.26 overwogen dat “Fortis zich nu eenmaal – in ieder geval voor zover het de look through beoordeling betreft – aan Basel I [had] te houden (onderzoeksverslag 252, 1688 en 1689).”
Basel IIvoorschriften. De Ondernemingskamer oordeelt “[e]chter, daargelaten dat de look through solvabiliteit per eind 2008 en eind 2009 ook dan veelal een aanzienlijk tekort vertoonde, (…) Fortis zich nu eenmaal – in ieder geval voor zover het de look through beoordeling betreft – aan Basel I [had] te houden (onderzoeksverslag 252, 1688 en 1689)” (zie daarover
onderdeel II.2.10). In de laatste twee paragrafen waaraan de Ondernemingskamer hier refereert is te lezen:
Basel IInormen toe te passen, zo blijkt – in een ander kader – uit rov. 6.88. Tegen de klacht pleit par. 8.2.60 van het verweerschrift van Fortis waar in een voetnoot van het onderdeel (zelf) naar wordt verwezen:
Basel Inaar
Basel IIover te stappen juist werd ingegeven door solvabiliteitsproblemen. In zoverre doet dat derhalve geen afbreuk aan het oordeel van de Ondernemingskamer.
look throughsolvabiliteit per eind 2008 en eind 2009 ook onder toepassing van
Basel IIveelal een aanzienlijk tekort vertoonde. Uit het onderzoeksrapport blijkt dat onder toepassing van de
Basel IInormen begin mei 2008 de
stress caseper eind 2007 ook negatief uitpakte. Ik verwijs kortheidshalve naar par. 1685 van het onderzoeksrapport. Alleen al daarop loopt het onderdeel stuk.
onderdeel II.2.12wordt opgekomen tegen het oordeel van de Ondernemingskamer in rov. 6.27 dat “aan het voorgaande (..) nog [kan] worden toegevoegd dat de look through solvabiliteit per eind 2009 op bijvoorbeeld 23 mei 2008 en 5 juni 2008 bovendien ongunstiger was dan die per eind 2008 (onderzoeksverslag 264 en 298). Fortis stelt ook niet, laat staan dat zij toelicht, dat de look through solvabiliteit per eind 2009 op enig (ander) hier relevant tijdstip gunstiger was dan die per eind 2008.” Geklaagd wordt dat de Ondernemingskamer de grenzen van de rechtsstrijd heeft overschreden, doordat een en ander weliswaar uit het onderzoeksverslag afgeleid had kunnen worden, maar geen van de partijen dit heeft aangevoerd.
look throughsolvabiliteit ultimo 2009 op veel tijdstippen wel degelijk gunstiger was dan de
look throughsolvabiliteit ultimo 2008. De Ondernemingskamer overweegt in de hier bestreden overweging:
look throughcijfers gaven voor eind 2008 niet relevant waren. De Ondernemingskamer overweegt hier dat op basis van de
look throughberekeningen in mei 2008 de verwachtingen voor de solvabiliteit voor eind 2009 er slechter uitzagen dan de verwachtingen voor eind 2008. Daarmee wil de Ondernemingskamer volgens mij zeggen dat het standpunt van Fortis dat de uitkomsten van de solvabiliteitsberekening voor eind 2008 niet ter zake deden, niet wegneemt dat de verwachtingen voor eind 2009 nog grimmer waren. Dat volgt onder meer uit hetgeen onderzoekers in par. 298 van het onderzoeksrapport schrijven, waarnaar de Ondernemingskamer in rov. 6.27 ook verwijst:
look throughsolvabiliteit ultimo 2009 op peil zou hebben (gebracht) en dat de verwachtingen in de loop van de tijd hebben gefluctueerd – gaat langs de kern van de aangevallen overweging heen en faalt om die reden.
onderdeel II.2treffen geen doel.
solvency updateen op de constatering van – almaar oplopende – tekorten in de
look throughberekeningen; daarbij wijst de Ondernemingskamer uitdrukkelijk op onvoldoende intensivering van de inspanningen, verhoging van de desbetreffende prioriteiten en/of aanpassing van het beleid om vóór eind 2009 de noodzakelijke
capital reliefvan € 8 miljard te realiseren;
look throughtekorten – toenemende urgentie van die intensivering, verhoging en/of aanpassing van het beleid.
onderdelen II.3.1-II.3.7 komen op tegen rov. 6.29. De Ondernemingskamer overweegt daar als volgt:
II.3.1bevat slechts een herhaling van zetten.
Onderdeel II.3.2voert aan dat de Ondernemingskamer buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door te oordelen dat Fortis te positieve uitgangspunten hanteerde voor de berekeningen van de
look throughsolvabiliteit, de uitkomsten een vertekend, te optimistisch beeld gaven en dat Fortis ten onrechte een aantal beoogde desinvesteringen 100% heeft verdisconteerd. Ook hier geldt weer dat, voor zover deze onderwerpen al niet aan bod zijn gekomen in het onderzoeksrapport en/of onderwerp zijn geweest van het partijdebat, de Ondernemingskamer deze gevolgtrekkingen heeft kunnen maken op basis van de gegevens waarmee partijen en onderzoekers haar hebben geconfronteerd (zie hiervoor 3.4). Daarop loopt deze klacht stuk. Waar Fortis in
onderdeel II.3.3en
onderdeel II.3.6essentiële stellingen te berde brengt waarop de Ondernemingskamer niet (voldoende) zou hebben gerespondeerd, voert Fortis stellingen aan die reeds in het kader van
onderdeel II.2.1.2de revue passeerden. Kortheidshalve verwijs ik naar hetgeen in dat kader werd opgemerkt. De onderdelen falen om dezelfde redenen. In
onderdeel II.3.4wordt betoogd dat de Ondernemingskamer in rov. 6.29 niet duidelijk heeft gemaakt welke uitgangspunten worden bedoeld, waar de Ondernemingskamer overweegt dat “uit het onderzoeksverslag blijkt dat de berekeningen vanaf 5 mei 2008 een look through tekort opleverden (onderzoeksverslag 259 en 1685)” en dat “[d]oordat Fortis voor deze berekeningen te positieve uitgangspunten hanteerde, (…) de uitkomsten en dus het gevonden tekort een vertekend, te optimistisch beeld boden”. Het onderdeel miskent dat de Ondernemingskamer in de daarop volgende overwegingen duidelijk maakt waarom en op welke punten het beeld te positief was. De klacht faalt. Waar
onderdeel II.3.5de vraag opwerpt over welke desinvesteringen de Ondernemingskamer het heeft in rov. 6.29, meen ik dat de Ondernemingskamer het oog heeft op Ping An en Interparking.
Onderdeel II.3.7bevat geen zelfstandige klacht.
onderdelen II.3.8-II.3.14keren zich tegen rov. 6.30, waarbij de
onderdelen II.3.11-II.3.14ook rov. 6.31 bestrijden.
Onderdeel II.3.15bevat geen zelfstandige klacht.
Onderdeel II.3.8betoogt dat de Ondernemingskamer in rov. 6.30 een aantal essentiële stellingen van Fortis buiten beschouwing heeft gelaten. Het oordeel van de Ondernemingskamer dat uit het onderzoeksverslag blijkt “dat het voorkwam dat van belang zijnde informatie intern te lang in te beperkte kring werd gehouden, waardoor in het bijzonder (sommige leden van) de Raad van Bestuur onvoldoende tijdig op de hoogte was (waren) van ontwikkelingen en omstandigheden die voor de beoordeling van de positie van Fortis van belang waren” is feitelijk en niet onbegrijpelijk in het licht van de verwijzingen van de Ondernemingskamer naar par. 256, 269, 563 en 626 van het onderzoeksverslag. Kwalificaties als “te lang” en “onvoldoende tijdig” kunnen, als gezegd, in cassatie niet makkelijk worden bestreden. In elk geval is de verwijzing naar verschillende vergaderingen en notulen waaruit blijkt dat de solvabiliteit binnen Fortis steeds op de agenda van verschillende gremia stond, onvoldoende om het oordeel van de Ondernemingskamer onderuit te kunnen halen. De
onderdelen II.3.9-II.3.10bestrijden het oordeel van de Ondernemingskamer in rov. 6.30 op grond van het feit dat de onderzoekers geen kritiek hadden op de
governancestructuur die binnen Fortis van kracht was. De onderzoekers hebben onder meer opgemerkt dat zij “in beginsel een gunstige indruk hebben gekregen van het functioneren van de RvB” (par. 124) en dat de “frequentie van vergaderen en het aantal vergaderingen van de RvB tijdens de Onderzoeksperiode, met 21 vergaderingen in 2007 en 25 vergaderingen in 2008 (..) zeker voldoende [was]”. Dat de
governancestructuur op orde was (formeel), betekent vanzelfsprekend nog niet dat de
governanceook materieel gezien aan de eisen voldeed.
Onderdeel II.3.11bouwt voort op de voorgaande onderdelen en deelt in hetzelfde lot. Waar
onderdeel II.3.12naar de bespreking van de klachten in
onderdeel IIIverwijst in verband met het oordeel van de Ondernemingskamer aangaande de EC-remedies, bespreek ik de in dit onderdeel vervatte klacht in het kader van
onderdeel III. In
onderdeel II.3.13wordt bestreden dat “[u]it het onderzoeksverslag blijkt (…) dat het eerder genoemde bestaan van een long stop of drop-dead date in de van 2 april 2008 daterende Ping An transactie en de uit dat beding voortvloeiende onzekerheid pas – en daarmee, gelet op het belang, niet (voldoende) tijdig – tot de Raad van Bestuur is doorgedrongen in zijn vergadering van 11 juli 2008 (onderzoeksverslag 563 en 1963).” Anders dan het onderdeel doet voorkomen, blijkt uit de in het onderdeel aangehaalde producties en geciteerde persberichten niet dat “ruim voor 11 juli 2008” (algemeen) bekend was dat de Ping An transactie was gesloten onder de betreffende opschortende voorwaarde. In
onderdeel II.3.14wordt aangevoerd dat dergelijke bepalingen gebruikelijk zijn bij transacties waarbij financiële ondernemingen betrokken zijn en dat alleen al om die reden het oordeel van de Ondernemingskamer niet opgaat. Voor zover
long stopof
drop deadbepalingen al gebruikelijk zijn, brengt dat in elk geval nog niet met zich dat de betreffende datum bekend was (bij de Raad van Bestuur).
onderdeel II.3treffen geen van alle doel.
Onderdeel II.4bestrijdt het oordeel van de Ondernemingskamer in rov. 6.28, 6.33-6.39, 6.40 en 6.43.
onderdeel II.4.1.Dat onderdeel bouwt geheel voort op de
onderdelen II.3.2 en II.3.3en valt dan ook datzelfde lot ten deel.
onderdelen II.4.2-II.4.9betreffen het oordeel van de Ondernemingskamer ten aanzien van de Interparking transactie.
Onderdeel II.4.3keert zich tegen rov. 6.35. De Ondernemingskamer overweegt daar dat er vanaf begin mei 2008 in toenemende mate redenen opkwamen om extra druk te zetten op de afronding van de Interparking transactie. Dat baseert de Ondernemingskamer op 1) het
look throughtekort dat begin mei 2008 voor het eerst werd gemeten, en 2) de negatieve ontwikkelingen die zich spoedig daarna voordeden, waaronder (a) de EC-remedies en (b) de verder verslechterende marktomstandigheden. In de
onderdelen II.4.2-II.4.4wordt elk van deze ontwikkelingen of omstandigheden afzonderlijk aangevallen.
Onderdeel II.4.5betoogt dat indien en voor zover de Ondernemingskamer nog andere negatieve ontwikkelingen op het netvlies had, deze vermeld hadden moeten worden en dat de beschikking in zoverre onvoldoende gemotiveerd is.
Onderdeel II.4.2bestrijdt het
look throughtekort en bouwt daartoe voort op de
onderdelen II.2.8 en II.2.11.Het onderdeel valt eenzelfde lot ten deel.
Onderdeel II.4.3komt op tegen de overweging dat “de noodzaak om extra druk op de afronding van deze transactie te zetten (…) er al sinds begin mei 2008 [was] toen voor het eerst een look through tekort werd gemeten en toen spoedig daarna nog meer negatieve ontwikkelingen, zoals die in het kader van de EC-remedies en verder verslechterende marktomstandigheden, opdoemden.” Het onderdeel bepleit dat de Ondernemingskamer in rov. 6.35 voorbij is gegaan aan een aantal essentiële stellingen (a-f). Kort gezegd houden die stellingen in dat pas op 2 juli 2008 vast kwam te staan dat de EC-remedies zo ongunstig zouden uitpakken en dat Fortis wel degelijk maatregelen voorbereidde om eventuele negatieve gevolgen af te wenden. Om die reden, zo wordt geklaagd, is het oordeel van de Ondernemingskamer “dat spoedig na begin mei meer negatieve ontwikkelingen opdoemden, zoals in het kader van de
EC-remedies”, onbegrijpelijk. Anders dan het onderdeel betoogt, blijkt uit het onderzoeksrapport dat in elk geval begin juni 2008 reeds van een negatieve impact van de EC-remedies werd uitgegaan (par. 266 en 272), hetgeen niet onmiddellijk ter kennis van de Raad van Bestuur werd gebracht (par. 267-268). Het oordeel van de Ondernemingskamer is in dat licht niet onjuist of onbegrijpelijk.
Onderdeel II.4.4bestrijdt de “verder verslechterende marktomstandigheden”. De stellingen van Fortis dat zich na het eerste kwartaal van 2008 een verbetering voltrok op de financiële markten, dat de beurskoers steeg en dat er in het tweede kwartaal sprake leek te zijn van herstel stroken niet met de hiervoor reeds weergegeven conclusie van onderzoekers in par. 297 van hun onderzoeksrapport dat “koersdalingen (..) na een korte opleving in maart tot medio mei 2008 versterkt door[gingen] en (…) de solvabiliteit van het verzekeringsbedrijf onder druk [zetten].” Tegen deze achtergrond is het oordeel van de Ondernemingskamer niet onbegrijpelijk. Gelet op het voorgaande kan ook
onderdeel II.4.5geen doel treffen.
Onderdeel II.4.6bouwt voort op het voorgaande en treft om die reden evenmin doel.
onderdelen II.4.7-II.4.8keren zich tegen het oordeel van de Ondernemingskamer in rov. 6.35 dat “die ontwikkelingen en omstandigheden (…) additionele desinvesteringen en andere solvabiliteitsversterkende maatregelen noodzakelijk maakten. Nu – zoals overwogen – bij de vaststelling van dat tekort, begin mei 2008, en ook nadien werd uitgegaan van 100% realisering van de desinvestering van Interparking, was het a fortiori geraden om die in werkelijkheid nog onzekere realisering waar te maken en/of alternatieven daarvoor vast te stellen.”
Onderdeel II.4.8bouwt voort op
onderdeel II.3.3en faalt om dezelfde redenen. Ten aanzien van
onderdeel II.4.7merk ik op dat onderzoekers, anders dan Fortis stelt, hebben vastgesteld dat de voortgang van de joint venture met Vinci “mede door wijzigingen in de door Fortis nagestreefde structuur (…) traag” verliep en dat onderzoekers geen aanwijzingen hebben gevonden dat in de periode tot en met eind juni 2008 in het ExCo, in de RCC of in de Raad van Bestuur “zware druk” op deze verkoop werd gezet (par. 295). Het knelpunt is voor de Ondernemingskamer niet dat de transactie uiteindelijk niet is doorgegaan, maar dat Fortis in haar solvabiliteitsplanning geen enkele rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat de transactie zou mislukken. Waar
onderdeel II.4.7aanvoert dat begin mei 2008 en nadien “substantiële vooruitgang” werd geboekt met de geplande desinvesteringen, gaat dat betoog langs dat pijnpunt heen. Overigens strookt dit betoog van Fortis ook niet (goed) met de stellingen die in
onderdeel II.4.9worden betrokken. Daar wordt immers, bijvoorbeeld onder b., aangevoerd dat “moeizaam voortuitgang werd geboekt”.
Onderdeel II.4.9richt zich tegen rov. 6.36. In de bestreden rechtsoverweging reageert de Ondernemingskamer op het betoog van Fortis dat “zij juist zorgvuldig is geweest door vanaf begin juli 2008 niet alleen haar kaarten op een joint venture met Vinci te zetten, maar – ‘in het kader van de sense of urgency’ – parallel aan de onderhandelingen met Vinci ook mogelijkheden van een verkoop van alle aandelen in Interparking aan een derde te onderzoeken”. De Ondernemingskamer komt op grond van verschillende passages uit het onderzoeksrapport tot het oordeel “dat Fortis in de periode tussen begin juli en begin september 2008 weliswaar – enerzijds – (ook) streefde naar een 100% overname, maar tevens – anderzijds – kennelijk te veel aarzelde en daardoor niet tijdig en niet met voldoende urgentie op (een van beide) opties afkoerste. De Ondernemingskamer deelt dan ook de conclusie van onderzoekers dat Fortis met betrekking tot Interparking ‘strategisch zwalkend heeft geopereerd’ (onderzoeksverslag 337).” Ik meen dat de essentiële stellingen die Fortis in het onderdeel te berde brengt, niet aan de conclusie van de Ondernemingskamer en de onderzoekers kunnen afdoen, maar daar veeleer aan bijdragen. Dat was ook reeds de conclusie van de Ondernemingskamer:
onderdelen II.4.10-II.4.16keren zich tegen het oordeel van de Ondernemingskamer omtrent de Ping An-transactie in rov. 6.28, 6.34, 6.37-6.39 en 6.43. Zoals we hiervoor reeds zagen, hebben de onderzoekers in dit verband geconstateerd dat “voor de nagestreefde joint venture met Ping An (..), gelet op de inhoud van het contract (de ‘long stop date’) en de wereldwijd dalende aandelenkoersen (aangezien er een directe relatie is tussen de waardering van de joint venture en het niveau van de aandelenkoersen omdat het grootste element in de waardering de marktwaarde van de portefeuille is), naar de mening van onderzoekers een extra solvabiliteitsbuffer [zou] moeten worden aangelegd om de onzekerheden te mitigeren.” De Ondernemingskamer heeft geoordeeld dat “Fortis onvoldoende aandacht heeft gehad voor de Ping An transactie” en dat “niet ondenkbaar [is] dat extra inspanningen – bijvoorbeeld meer druk op de Chinese overheid – niet tot een beter resultaat zouden hebben geleid, maar dat neemt niet weg dat meer aandacht eerder tot het noodzakelijke inzicht zou hebben geleid dat alternatieve maatregelen noodzakelijk waren en/of buffers in de look through berekeningen moesten worden ingebouwd (onderzoeksverslag 296).” Daaraan heeft de Ondernemingskamer de volgende overwegingen ten grondslag gelegd:
long stopof
drop-dead dateverbonden en derhalve een risico van een gat van € 2,15 miljard in de solvabiliteitsprognose;
look throughtekort begin mei 2008 en ook nadien uitgegaan van 100% realisering van deze desinvestering en is met voormeld risico derhalve geen rekening gehouden;
M&A trackerszichtbaar (producties 175, 176, 182 en 184 bij verweerschrift);
Onderdeel II.4.10komt op tegen het hiervoor onder 2) weergegeven oordeel en bouwt voort op
subonderdelen II.2.8, II,3.1, II.3.2en
II.3.3.Het wordt door eenzelfde lot getroffen.
Onderdeel II.4.11voert aan dat het oordeel dat het voor Fortis “geraden was om die nog onzekere desinvestering zo spoedig mogelijk waar te maken en/of alternatieven vast te stellen”, onbegrijpelijk is in het licht van een aantal essentiële stellingen. Net als ingeval van Interparking geldt dat het onderdeel eraan voorbijziet dat het knelpunt (met name) ligt in het feit dat Fortis in haar solvabiliteitsplanning geen enkele rekening heeft gehouden met het eventuele mislukken van de transactie. Bij Ping An komt daar nog bij dat zij naar buiten toe heeft gedaan alsof het contract reeds rond was. De stellingen die Fortis in dit verband ten tonele voert, nopen – voor zover ze al feitelijke grondslag hebben – geenszins tot een ander oordeel. Het onderdeel gaat langs de kern van het oordeel heen.
Onderdeel II.4.12klaagt over het oordeel van de Ondernemingskamer dat de aandacht ten onrechte werd verlegd naar andere geplande desinvesteringen. Het onderdeel bestrijdt de begrijpelijkheid van dat oordeel, gelet op het feit dat de Ping An transactie blijkens de notulen nog wel besproken werd in de ExCo en de Raad van Bestuur. De klacht faalt, aangezien de Ondernemingskamer niet heeft geoordeeld dat er in het geheel geen aandacht was voor de Ping An transactie, maar dat Fortis onvoldoende aandacht had voor de transactie. Het oordeel dat bijvoorbeeld is ingegeven doordat de transactie niet meer op de
M&A trackersvoorkwam – hetgeen het middel niet bestrijdt –, is feitelijk en niet onbegrijpelijk.
onderdeel II.4.13klaagt dat de Ondernemingskamer de grenzen van de rechtsstrijd heeft overschreden, merk ik allereerst op dat de – als gezegd in cassatie niet bestreden – omstandigheid dat het ontbreken van de transactie op de
M&A trackersde gevolgtrekking van de Ondernemingskamer in dit verband zelfstandig kan dragen. Daarnaast is de Ondernemingskamer binnen de grenzen van de rechtsstrijd gebleven en heeft zij de betreffende feiten mogen afleiden. Kortheidshalve verwijs ik naar hetgeen ik in het kader van
onderdeel II.2.12opmerkte.
Onderdeel II.4.14klaagt dat de Ondernemingskamer met haar oordelen in rov. 3.37 dat “het geraden was om die nog onzekere desinvestering zo spoedig mogelijk waar te maken en/of alternatieven vast te stellen” (rov. 3.37) en dat “niet ondenkbaar [was] dat extra inspanningen – bijvoorbeeld meer druk op de Chinese overheid – niet tot een beter resultaat zouden hebben geleid, maar dat (..) niet weg[neemt] dat meer aandacht eerder tot het noodzakelijke inzicht zou hebben geleid dat alternatieve maatregelen noodzakelijk waren en/of buffers in de look through berekeningen moesten worden ingebouwd”, essentiële stellingen van Fortis heeft gepasseerd die kort gezegd inhielden dat Fortis wel degelijk extra inspanningen heeft geleverd. Ook hier geldt weer dat een oordeel van de Ondernemingskamer wordt aangevochten dat feitelijk is en niet onbegrijpelijk. De stellingen die worden geponeerd – voor zover die al feitelijke grondslag hebben – nopen niet tot een ander oordeel.
Onderdeel II.4.15keert zich tegen het oordeel van de Ondernemingskamer dat “de verantwoordelijkheid van Fortis om de transactie destijds spoedig tot een succesvolle afronding te brengen althans om alternatieve maatregelen te nemen, (..) extra zwaar [weegt], omdat de transactie ook in de externe communicatie als zeker werd gepresenteerd.” Ik stel voorop dat Fortis ook buiten deze omstandigheid naar het oordeel van de Ondernemingskamer is tekortgeschoten. Dat leid ik af uit het feit dat deze omstandigheid ontbrak in het geval van Interparking en de Ondernemingskamer niettemin ook voor Interparking heeft aangenomen dat Fortis meer had moeten doen om de transactie te laten slagen en/of alternatieve maatregelen had moeten nemen. Om die reden is die “extra” omstandigheid volgens mij niet dragend voor het bestreden oordeel. Ten overvloede, waar wordt aangevoerd dat de grenzen van de rechtsstrijd door de Ondernemingskamer zijn overschreden, verwijs ik naar hetgeen ik hiervoor onder 4.3 over het afleiden van feiten werd opgemerkt.
Onderdeel II.4.15loopt daarop stuk.
Onderdeel II.4.16bestrijdt eveneens het oordeel van de Ondernemingskamer dat “de verantwoordelijkheid van Fortis om de transactie destijds spoedig tot een succesvolle afronding te brengen althans om alternatieve maatregelen te nemen, (..) naar het oordeel van de Ondernemingskamer extra zwaar [weegt], omdat de transactie ook in de externe communicatie als zeker werd gepresenteerd” op de grond dat Fortis steeds uitdrukkelijk heeft gewezen op het feit dat de transactie onderhevig was aan de goedkeuring van de toezichthouders. Het enkele feit dat dat wel gecommuniceerd werd, laat onverlet dat er kennelijk nog meer factoren speelden die het welslagen van de transactie minst genomen nog onzekerder maakten. Ook deze klacht kan derhalve niet tot cassatie leiden.
Onderdeel II.4.17bevat enkel een voortbouwende klacht en behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking meer.
onderdeel II.4kunnen dan ook niet tot cassatie leiden.
Onderdeel II.5valt uiteen in 14 subonderdelen en klaagt over het oordeel van de Ondernemingskamer in rov. 6.28 en 6.40-6.43. In rov. 6.41 komt de Ondernemingskamer tot het oordeel dat Fortis “te lang heeft gewacht met het nemen respectievelijk concretiseren van additionele maatregelen en dat die maatregelen onvoldoende waren.” Daaraan legt de Ondernemingskamer ten grondslag:
onderdeel II.5bouwen voor het merendeel voort op voorgaande onderdelen. Die klachten falen om dezelfde redenen en behoeven verder geen bespreking. Ik bespreek enkel het residu.
Onderdeel II.5.9klaagt over de overweging dat “de in het persbericht van 26 juni 2008 aangekondigde desinvesteringen niet eerder geconcretiseerd [werden] dan in de vergadering van 29 juli 2008 van het ExBo (verweerschrift 10.2.40 alsmede de lijst opgenomen in pleidooi in dupliek 5).” Ik merk op dat het hier één van meer voorbeelden betreft waarmee de Ondernemingskamer illustreert dat “tot het nemen van andere aanvullende maatregelen, zoals securitisatie, sale and lease back van onroerend goed en additionele desinvesteringen (van non core assets), (..) erg laat [werd] besloten.” De bestreden overweging strookt met de bevindingen van de onderzoekers in par. 300 van hun rapport, waar wordt opgemerkt:
Onderdeel II.5.10klaagt over overschrijding van de grenzen van de rechtsstrijd, waar de Ondernemingskamer heeft geoordeeld “dat Fortis zelf ook niet (steeds) overtuigd leek van de effectiviteit van de additionele maatregelen, in het bijzonder de securitisatie voor € 1 miljard en sale and lease back van onroerend goed voor € 500 miljoen (onderzoeksverslag 298 en verweerschrift 8.2.95).” Dat de Ondernemingskamer met deze “indruk” binnen de grenzen van de rechtsstrijd is gebleven, behoeft gelet op 3.4 geen toelichting meer. De
onderdelen II.5.11-II.5.13bestrijden de voornoemde indruk van de Ondernemingskamer op (meer) inhoudelijke gronden. Ik stel voorop dat het oordeel van de Ondernemingskamer niet wordt gedragen door de indruk die zij had. Daarvan geeft volgens mij het woordje “nog” blijk. Daarbij geldt dat het oordeel van de Ondernemingskamer feitelijk is en, zeker in het licht van het onderzoeksrapport, geenszins onbegrijpelijk. Hetgeen in het onderdeel wordt aangevoerd, noopt in elk geval niet tot een ander oordeel.
Onderdeel II.5.14bestrijdt dat Fortis ook zelf niet geloofde in het securiseren van een aantal activa. Met enkele citaten probeert het onderdeel aan te tonen dat Fortis er alle vertrouwen in had dat – niettegenstaande het feit dat de markt voor
capital reliefdoor middel van securitisatie begin 2008 nagenoeg was stilgevallen – de transacties haalbaar waren. De citaten nemen niet weg dat uit verschillende notulen van de ExCo blijkt dat ook intern bekend was dat het vooruitzicht niet goed was. De in het onderdeel aangehaalde citaten kunnen daar niet aan toe- of afdoen. Bovendien wordt miskend dat zelfs dan 100% verdiscontering onverantwoord was.
onderdeel II.5falen.
audit trailvan relevante beslissingen werd aangelegd (de vier gevallen waarop onderzoekers in voormeld citaat duiden, betreffen vier brieven aan de CBFA waarin Fortis mededeling doet omtrent een beslissing tot uitstel van openbaarmaking van koersgevoelige informatie). Deze constateringen met betrekking tot het communicatiebeleid als zodanig versterken het oordeel omtrent het wanbeleid zoals hiervoor gegeven. Aan het slot van rov. 6.130 overweegt de Ondernemingskamer in verband met het communicatiebeleid dat zij Fortis zwaar aanrekent dat zij, door te communiceren zoals zij heeft gedaan, steeds weer het voor een bank essentiële vertrouwen op het spel heeft gezet.
Onderdeel IIIbestrijdt dat oordeel en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen met zes subonderdelen.
Onderdeel III.1klaagt over het oordeel van dat de Ondernemingskamer in rov. 6.74 dat het enkele feit dat “de AFM niet van oordeel is dat Fortis reeds op 21 mei 2008 naar buiten had moeten treden, (…) het oordeel van de Ondernemingskamer niet anders [maakt], reeds omdat de door AFM gehanteerde maatstaven niet (precies) dezelfde zijn als de maatstaven die bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of zich wanbeleid heeft voorgedaan. De Ondernemingskamer is (dan ook) niet aan het oordeel van de AFM gebonden.” Volgens het onderdeel geeft de Ondernemingskamer in deze rechtsoverweging blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Deze klacht bouwt geheel voort op
onderdeel B. Het onderdeel faalt op dezelfde gronden.
Onderdeel III.2richt zich tegen rov. 6.73. In die rechtsoverweging oordeelt de Ondernemingskamer dat “voor het oordeel van de Ondernemingskamer (..) het antwoord op de vraag of de koers van het aandeel Fortis op openbaarmaking reageerde, niet van doorslaggevende betekenis [is]. Daarom brengt ook de omstandigheid, dat de koers niet reageerde op het artikel van 14 juni 2008 in De Telegraaf (verweerschrift 9.4.18 en volgende) de Ondernemingskamer niet tot een ander oordeel.”
Onderdeel III.2.1betoogt dat niet is voldaan aan één van de vier cumulatieve criteria voor het bestaan van koersgevoelige informatie op grond van art. 5:59 (oud) juncto 5:53 Wft, te weten dat bij publicatie van de informatie een significante invloed op de koers van het aandeel te verwachten is. Deze klacht mist feitelijke grondslag, gelet op hetgeen Fortis in par. 9.4.25 haar verweerschrift heeft aangevoerd:
onderdeel III.1, behoeft het in het licht van het voorgaande geen bespreking meer.
Onderdeel III.3klaagt over rov. 6.68-6.69. De Ondernemingskamer heeft daar overwogen:
Onderdeel III.3.1gaat uit van een onjuiste lezing van de beschikking. De Ondernemingskamer heeft immers niet geoordeeld dat er géén alternatief was, maar dat de kans dat Fortis na afloop van de exclusiviteitsperiode nog een alternatief zou kunnen vinden en zou kunnen uitonderhandelen, “bijzonder gering” was.
onderdeel III.3.1voorts aanvoert dat Fortis gedurende de onderhandelingen met Deutsche Bank niet wist of, en zo ja, onder welke voorwaarden een overeenkomst tot stand zou komen en pas achteraf vast te stellen was dat sprake was van een
take it or leave it-bod, aangezien er wel degelijk zou zijn onderhandeld, merk ik op dat het oordeel van de Ondernemingskamer geenszins onbegrijpelijk is in het licht van het onderzoeksrapport. Daarbij denk ik vooral aan de volgende passages:
Onderdeel III.3.2klaagt in de eerste plaats dat het oordeel van de Ondernemingskamer in rov. 6.69 dat “de kans dat Fortis na afloop van de exclusiviteitsperiode, derhalve na 9 juni 2008, nog een – relevant gunstiger – alternatief voor de transactie met Deutsche Bank zou kunnen vinden en zou kunnen uitonderhandelen, (…) bijzonder gering” was, niet strookt met de overweging dat Fortis heeft uiteengezet “dat zij zowel voor als na de periode van de exclusiviteit aandacht had voor alternatieven”. Aangevoerd wordt dat alleen met kennis achteraf geoordeeld kan worden dat die alternatieven “kennelijk onvoldoende concreet en reëel” waren. Daarbij beroept het onderdeel zich op enkele zinsneden uit het onderzoeksverslag. Aan de overweging dat “betrokkenen” in de interviews “betrekkelijk unisono te kennen [hebben] gegeven dat het realiteitsgehalte niet heel groot was”, komt volgens het onderdeel geen gewicht toe, aangezien deze betrokkenen dit ook met kennis achteraf hebben verklaard.
Onderdeel III.4bestrijdt het oordeel van de Ondernemingskamer in rov. 6.71, dat “er redelijkerwijs van uit moet worden gegaan dat Fortis er vanaf 21 mei 2008 zodanig ernstig rekening mee hield, althans had moeten houden, dat zich in het kader van de verkoop van de EC-remedies (naar alle waarschijnlijkheid aan Deutsche Bank, maar strikt genomen is dat niet relevant) een substantiële (extra) tegenvaller ter grootte van € 0,8 miljard ten aanzien van de solvabiliteit zou voordoen, dat die informatie niet langer aan het beleggend publiek kon worden onthouden zonder dat misleiding van dat publiek te duchten was en dat die informatie derhalve toen naar buiten gebracht had moeten worden.” De Ondernemingskamer baseert dat oordeel “op de bevinding dat toen duidelijk werd/was dat de redelijkerwijs onvermijdelijke verkoop van de EC-remedies praktisch gesproken gepaard zou gaan met voormelde tegenvaller, te weten een veel groter verlies dan tot op dat moment aangenomen.” De Ondernemingskamer voegt hier nog aan toe dat voormelde conclusie uiteraard te meer gold “toen op 14 juni 2008 de essentie van de positie van Fortis op dit punt door de publicatie in De Telegraaf naar buiten kwam, als gevolg waarvan het risico ontstond dat over (de juistheid van) deze door De Telegraaf naar buiten gebrachte informatie zou worden gespeculeerd.”
onderdeel III.4.1wordt bepleit dat dat oordeel onbegrijpelijk is, gelet op het slot van rov. 6.69, waar de Ondernemingskamer in een overweging ten overvloede opmerkt:
credit umbrellahad kunnen realiseren, in elk geval € 500 miljoen van de (extra) tegenvaller voorkomen had kunnen worden,” gericht is tegen een overweging ten overvloede, behoeft het alleen al om die reden geen bespreking.
Onderdeel III.4.2klaagt dat Fortis volgens haar eigen stellingen slechts rekening hield met een verlies van € 700 miljoen en dat zij dat “aldus enkel op 21 mei 2008 de CBFA voorzichtigheidshalve [heeft] bericht”. Volgens het onderdeel volgt uit deze melding niet “dat sprake was van (zeer) belastende voorwaarden en waaraan naar alle waarschijnlijkheid weinig meer ten gunste veranderd zou kunnen worden.” Waar het de Ondernemingskamer in rov. 6.71 blijkens de tweede alinea om gaat, is dat op een gegeven moment duidelijk was dat de verkoop van de EC-remedies “gepaard zou gaan met voormelde tegenvaller, te weten een veel groter verlies dan tot op dat moment werd aangenomen.” Tegen de achtergrond van het onderzoeksverslag in dit verband (zie in het bijzonder par. 531-532), is het oordeel van de Ondernemingskamer niet onbegrijpelijk, althans wordt dat oordeel niet voldoende bestreden.
Onderdeel III.4.3bevat slechts een voortbouwende klacht die gelet op het voorgaande geen bespreking meer behoeft.
Onderdeel III.5komt op tegen rov. 6.71 en 6.76 en bestrijdt dat de informatie “dat zich in het kader van de verkoop van de EC-remedies een substantiële tegenvaller ter grootte van € 0,8 miljard ten aanzien van de solvabiliteit zou voordoen (…) – als koersgevoelige informatie – niet langer aan het beleggend publiek kon worden onthouden zonder dat misleiding van dat publiek te duchten was.”
Onderdeel III.5.1betoogt dat Fortis voldeed aan de vereisten van art. 5:59 lid 3 Wft Pro (oud) en dat zij om die reden publicatie van de koersgevoelige informatie mocht uitstellen. Dat betoogt zij op de grond dat het enkele feit dat “misleiding van het publiek te duchten is” onvoldoende is om het beroep op uitstel niet te honoreren.
Onderdeel III.5.2betoogt dat de Ondernemingskamer ten onrechte heeft verzuimd de andere criteria voor de uitstelregeling te toetsen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag en staat bovendien haaks op het in cassatie geldende uitgangspunt dat de Ondernemingskamer bij de beoordeling van het verzoek niet gebonden is aan de publiekrechtelijke normen. Overigens merk ik op dat de AFM heeft geoordeeld dat Fortis geen aanspraak kon maken op uitstel. De rechtbank Rotterdam kwam tot datzelfde oordeel. [41] Voor zover in dit kader al relevant, behelst lid 3 van art. 5:59 Wft Pro (oud) cumulatieve voorwaarden. Werd aan één van de voorwaarden niet voldaan, dan kwam Fortis al niet meer in aanmerking voor uitstel. Het onderdeel gaat dan ook uit van een onjuiste rechtsopvatting. Onderzoekers hebben in dit verband in hun onderzoeksrapport opgemerkt:
onderdeel III.5.3– wordt betoogd dat de Ondernemingskamer onvoldoende gemotiveerd heeft aangenomen dat Fortis niet voldeed aan de cumulatieve uitstelcriteria ex art. 5:59 lid 3 Wft Pro (oud), voor zover er sprake zou zijn van koersgevoelige informatie. Fortis voert een aantal essentiële stellingen ten tonele waarop de Ondernemingskamer niet (voldoende) zou hebben gerespondeerd.
Onder (i)voert het onderdeel aan dat de Ondernemingskamer de stelling heeft miskend dat Fortis rechtmatig belang had bij uitstel “omdat anders haar onderhandelingspositie nog (verder) bemoeilijkt zou worden nu er nog geen overeenkomst met een van de kandidaat-kopers was gesloten (hetgeen ook niet in het belang van haar aandeelhouders was geweest)”. De Ondernemingskamer heeft de belangen van de beleggers naar mijn mening wel degelijk afgewogen tegen die van Fortis. In rov. 6.75 oordeelt de Ondernemingskamer immers (onderstreping LT):
gelet op de in aanmerking te nemen belangen– gehandeld heeft in strijd met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap.”
Onder (ii)betoogt het onderdeel dat de Ondernemingskamer heeft miskend dat geen misleiding te duchten was, aangezien de transactie met Deutsche Bank en de voorwaarden daarvan nog niet vaststonden. Het onderdeel gaat hier voorbij aan de overweging van de Ondernemingskamer dat niet zozeer de transactie met Deutsche Bank, maar de bevinding dat destijds “duidelijk werd/was dat de redelijkerwijs onvermijdelijke verkoop van de EC-remedies praktisch gesproken gepaard zou gaan met voormelde tegenvaller, te weten een veel groter verlies dan tot op dat moment aangenomen”, de doorslag geeft (rov. 6.71).
Onder (iii)voert Fortis aan dat zij heeft gesteld dat de vertrouwelijkheid was gewaarborgd. Het oordeel van de Ondernemingskamer is noch onjuist, noch onbegrijpelijk in het licht van de bevindingen van de onderzoekers in de hiervoor geciteerde par. 555 van het onderzoeksrapport.
Onderdeel III.5faalt.
Onderdeel III.6richt zich tegen rov. 6.75, waar het hof oordeelt dat Fortis door interne deskundigen op haar verplichtingen was gewezen, doch dat zij ervoor heeft gekozen “de informatie pas later, gedeeltelijk op 26 juni 2008, en nog later meer uitgebreid, bekend te maken”. Het hof overweegt:
onderdelen III.6.1 en III.6.2bouwen voort op voorgaande onderdelen en ketsen op dezelfde gronden af. Daarbij merk ik nog op dat
onderdeel III.6.2aanvoert dat het oordeel van de Ondernemingskamer onbegrijpelijk is, in het licht van het betoog van Fortis dat de interne deskundigen er ten onrechte vanuit gingen dat de overeenkomst alsmede de voorwaarden daarvan reeds vaststonden. Ik merk op dat het oordeel van de Ondernemingskamer niet onbegrijpelijk is, gelet op het feit dat niet (de voorwaarden van) de overeenkomst ten grondslag ligt (liggen) aan het oordeel, maar het te voorziene verlies. Bovendien ligt het bestreden oordeel ook in lijn met de bevindingen van de onderzoekers, bijvoorbeeld (de hiervoor opgenomen) par. 512-516 van het onderzoeksrapport. Het oordeel van de Ondernemingskamer houdt stand tegen de klachten.
Onderdeel IIIschiet dan ook in zijn geheel mis.
Onderdeel IVkomt op tegen het oordeel van de Ondernemingskamer in rov. 6.81-6.83:
Daarbij speelt mede een rol dat Fortis, zoals hiervoor bleek, de samenwerking zowel intern als extern zonder (voldoende) voorbehoud als zeker presenteerde en het bestaan van de long stop of drop dead date van 31 oktober 2008 niet (eerder) bekend had gemaakt. Het publiek ging er dan ook niet van uit dat de deal nog kon worden afgeblazen.Anders dan Fortis meent kan de bekendmaking op 23 april 2008 door Ping An in China niet als (voldoende) openbaarmaking worden aangemerkt, terwijl die bekendmaking hoe dan ook nog geen betekenis kon hebben voor de op 19 september 2008 bij Fortis bekende, overwegende kans dat de transactie daadwerkelijk niet door zou gaan. Na voormelde geruststellende mededeling van 7 augustus 2008 kon het achterhouden van deze belangrijke en volgens Kloosterman ‘onthutsende’ (onderzoeksverslag 568) informatie leiden tot misleiding van het beleggend publiek, althans de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone belegger.
Onderdeel IV.1voert ten eerste aan dat de informatie niet koersgevoelig was, aangezien Fortis heeft gesteld dat de publicatie van het persbericht op 31 september 2008 geen negatief effect heeft gehad op de koers van het aandeel Fortis. Dit onderdeel faalt op dezelfde gronden als
onderdeel III.2.1.
Onderdelen IV.2.1 en IV.2.2voeren aan dat de Ondernemingskamer niet heeft getoetst of was voldaan aan de uitstelcriteria. De vooropstellingen die ik maakte in het kader van
onderdeel III.5.2, gelden ook hier. Ten overvloede merk ik dan ook op dat de Ondernemingskamer de uitstelcriteria (niet met verwijzing naar art. 5:59 lid 3 Wft Pro (oud), maar niettemin) is langsgegaan, waar de Ondernemingskamer – in elk geval – heeft vastgesteld:
long stopof
drop dead datevan 31 oktober 2008 niet (eerder) bekend had gemaakt, waardoor het publiek er niet van uitging dat de deal nog kon worden afgeblazen. Deze omstandigheden laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat aan het vereiste van art. 5:59 lid 3 sub a Wft Pro (oud) niet was voldaan;
Onderdeel Vkomt op tegen verschillende rechtsoverwegingen onder het kopje “Ten tweede d: misleidende mededelingen op 13, 22, 23 mei en 5 en 10 juni 2008”. De Ondernemingskamer komt in rov. 6.99 tot de conclusie dat Fortis op voornoemde data:
look throughberekeningen nog geen rekening was gehouden met de uitvoering van het solvabiliteitsplan. De Ondernemingskamer heeft in rov. 6.92, laatste alinea overwogen:
onderdeel Vtreffen geen doel. Het oordeel van de Ondernemingskamer is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
Onderdeel VIkomt op tegen rov. 6.105-6.112 en 6.129, waarin de Ondernemingskamer concludeert dat sprake is van wanbeleid waar Fortis het voornemen tot de aandelenemissie en de dividendmaatregelen niet onverwijld na de vergadering van 18-19 juni 2008 bekend heeft gemaakt.
Onderdeel VI.1.1betoogt dat dit oordeel blijkt geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is, aangezien de Ondernemingskamer heeft miskend “dat de vraag of sprake is van wanbeleid waar het gaat om de inhoudelijke toetsing van besluiten en/of beslissingen, moet worden beantwoord aan de hand van een terughoudende – marginale – toetsing en/of dat als onderzoekers na een lang en niet eenvoudig afwegingsproces, dat zoals blijkt uit het onderzoeksproces (…) het gevolg is van de feiten en omstandigheden die zich voordeden toen het besluit c.q. de beslissing moest worden genomen, niet (zonder meer) kan worden geconcludeerd dat er sprake is van wanbeleid. Alsdan kan immers niet worden gezegd dat er sprake van is dat (het desbetreffende orgaan van) de rechtspersoon (i.c. het bestuur) in redelijkheid niet tot zijn beleid (het besluit c.q. de beslissing) had kunnen komen.” Het onderdeel betoogt dat de Ondernemingskamer, door desondanks te oordelen in rov. 6.109 “dat uit de omstandigheid dat het onderzoeksverslag op dit punt het resultaat was van een “niet eenvoudig en lang afwegingsproces” niet kan worden afgeleid dat het handelen van Fortis niet op zijn minst verdedigbaar was en daarom niet als wanbeleid kan worden gekwalificeerd, (..) [is] uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.”
Onderdeel VI.1.2voert (subsidiair) aan dat het oordeel van de Ondernemingskamer onvoldoende gemotiveerd is in het licht van de door de onderzoekers en de Ondernemingskamer vastgestelde omstandigheden, waaruit zou volgen dat “met inachtneming van de hiervoor geldende marginale toetsing – geen sprake is van wanbeleid, aangezien op basis daarvan niet kan worden gezegd dat Fortis niet in redelijkheid tot haar beslissing heeft kunnen komen.” De opgesomde omstandigheden doen in het geen geheel recht aan de bevindingen van de onderzoekers, noch aan de overwegingen van de Ondernemingskamer. Het eerste gedachtestreepje strookt bijvoorbeeld niet met de vaststelling van de Ondernemingskamer in rov. 6.105, tweede gedachtestreepje, laatste zin. De Ondernemingskamer heeft de achter het tweede gedachtestreepje verwoorde gedachte verworpen in rov. 6.106, tweede en derde gedachtestreepje alsmede in rov. 6.107, derde alinea. De achter het derde gedachtestreepje aangevoerde twijfel bij Votron, heeft de Ondernemingskamer in rov. 6.107, derde alinea irrelevant geacht. Het vierde gedachtestreepje snijdt geen hout in het licht van bijvoorbeeld par. 684 van het onderzoeksrapport. Het vijfde en zesde gedachtestreepje zijn door de Ondernemingskamer in rov. 6.107, derde alinea verworpen. Het zevende gedachtestreepje bouwt op het hiervoor weerlegde voort.
onderdeel VIvervatte klachten falen dan ook.
subprime-portefeuille in de
trading updateen het prospectus) is geconcludeerd:
subprimeportefeuille van Fortis in het op 24 en 25 september 2007 gepubliceerde prospectus en de daarin opgenomen
trading update.
subprimeen de (geschatte) gevolgen van die blootstelling op haar resultaat en dat zij de dechargebesluiten van die datum met deze kennis hebben genomen. Deze bekendheid vloeit volgens Fortis voort uit de op 8 november 2007 gepubliceerde derde-kwartaalcijfers 2007 en de op 7 maart 2008 gepubliceerde jaarcijfers over 2007. De ‘elementen’ die naar de mening van onderzoekers ten onrechte niet in het prospectus en de
trading updatewaren vermeld, waren de aandeelhouders op dat moment wel bekend.
trading updateverschafte informatie bij het uitbrengen daarvan misleidend was, dat Fortis met het uitbrengen daarvan het risico heeft genomen dat het vertrouwen in haar werd ondermijnd en dat Fortis daarvan een ernstig verwijt kon worden gemaakt. Daaraan legt de Ondernemingskamer het volgende ten grondslag:
subprimeportefeuille die zich hadden voorgedaan na de publicatie van het prospectus en de
trading update;
onderdeel VIIgaan langs dit oordeel van de Ondernemingskamer heen. Ik licht dat hierna per onderdeel toe.
onderdeel VII.1worden de rov. 6.133 en 6.136 bestreden. Het onderdeel bouwt in zijn geheel voort op
onderdeel Ien wordt dan ook getroffen door hetzelfde lot.
Onderdeel VII.2richt zich tegen rov. 6.134 en 6.136 en klaagt dat de Ondernemingskamer ten onrechte heeft geoordeeld dat de aandeelhouders zich op 29 april 2007 niet bewust waren dat de informatie in het prospectus en de
trading updatemisleidend was en dat niet is gebleken dat de Raad van Bestuur ter gelegenheid van de vergadering opheldering heeft verschaft. Volgens
onderdeel VII.2.1heeft de Ondernemingskamer miskend dat niet maatgevend was waar de aandeelhouders zich daadwerkelijk bewust van waren (subjectief), maar waarvan zij zich redelijkerwijs bewust hadden kunnen zijn en/of waarop zij bedacht hadden moeten zijn gelet op de verstrekte informatie (objectief). In
onderdeel VII.3wordt betoogd dat Fortis de informatie wel heeft verstrekt, te weten bij de publicatie van de derde-kwartaal- en jaarcijfers over 2007.
trading update. Niet ter discussie staat dat Fortis
dieinformatie niet met haar aandeelhouders heeft gedeeld.
Onderdeel VII.2.2klaagt dat de Ondernemingskamer ten onrechte vereist dat de Raad van Bestuur expliciet had benoemd dat er sprake was geweest van misleiding. Volgens het onderdeel heeft de Ondernemingskamer miskend dat voor de beantwoording van de vraag of het beleid wordt gedekt door de decharge, bepalend is of alle feitelijke informatie aan de aandeelhouders is verstrekt waaruit het (beweerde) wanbeleid zou blijken en dat niet vereist is dat de conclusie die uit die feitelijke informatie volgt en/of de kwalificatie die daaraan wordt gegeven (
in casu‘misleiding’ c.q. ‘wanbeleid’) expliciet door de Raad van Bestuur wordt benoemd. Dit onderdeel loopt stuk op een onjuiste lezing van de beschikking.
Beleggers”) (…).
KPNQwest [43] aan, niet bedoeld voor beslechting van geschillen van vermogensrechtelijke aard, noch voor het verkrijgen van documenten die daarmee verband houden. SICAF mist volgens Fortis een voor toelating in aanmerking komend belang. SICAF zou uitsluitend uit zijn op schadevergoeding van Fortis en zou in dat kader in wezen op (niet meer dan) “fishing expedition” zijn.
algemenezin zou behartigen, en de Stichting, die de belangen kennelijk in
beperktezin behartigt. Dat onderscheid is kunstmatig: het gaat er immers om dat de Stichting in
algemenezin de belangen behartigt van de groep Fortis-aandeelhouders die bij uitstek belang heeft bij de uitkomst van de enquêteprocedure, nu het wanbeleid bij Fortis N.V. zich in deze periode voordeed. Zie voorts HR 26 februari 2010, LJN: BK5756 inzake Stichting Baas in Eigen Huis, waarin de Hoge Raad heeft bepaald dat aan de representativiteit van een stichting die op grond van art. 3:305a BW acteert geen nadere eisen mogen worden gesteld.”
allebeleggers die in de jaren 2007 en 2008 aandelen Fortis hebben gekocht” [44] ) “bundelt en belichaamt” en die “tot haar eigen belang [maakt] en (..) voor dat belang op[komt]”. [45] Voorts wordt van de zijde van SICAF betoogd:
onderdeel VIIIbestreden beschikking van 16 maart 2011 allereerst vastgesteld dat Fortis niet, althans tardief, heeft betwist dat SICAF “wordt ondersteund door meer dan 2000 particuliere en meer dan 140 institutionele beleggers en dat deze beleggers tezamen 46 miljoen aandelen Fortis houden of hebben gehouden.” Daarom neemt de Ondernemingskamer “– met het oog op de thans te nemen beslissingen – als onvoldoende (tijdig) betwist tot uitgangspunt dat Stichting Investor Claims inderdaad als voormeld wordt ondersteund. Deze ondersteuning vindt – zo neemt de Ondernemingskamer verder op grond van de toelichting tijdens de mondelinge behandeling en wederom met het oog op de thans te nemen beslissingen aan – haar grondslag in een met elk van de beleggers gesloten
participation agreement.” In rov. 2.3 van de bestreden beschikking heeft de Ondernemingskamer vervolgens geoordeeld:
Onderdeel VIIIkomt op tegen rov. 2.1 en 2.4 en valt uiteen in drie subklachten, die op hun beurt weer uiteenvallen in verschillende subsubklachten. In totaal nemen de klachten meer dan dertig pagina’s in beslag. Ik stel voorop dat de Ondernemingskamer niet (erg) inzichtelijk maakt op welke grond of in welke hoedanigheid SICAF in de enquêteprocedure is opgekomen. De beantwoording van de vraag op welke grond c.q. in welke hoedanigheid een partij optreedt, vergt uitleg van gedingstukken. [46] In HR 22 oktober 2004, LJN AP1435, NJ 2006, 202 m.nt. H.J. Snijders heeft de Hoge Raad in dit verband overwogen:
onderdeel VIIIonderscheid tussen toelating op de voet van art. 3:305a BW en toelating “anderszins”. Had de Ondernemingskamer SICAF “anderszins” willen toelaten, dat wil volgens mij zeggen op grond van lastgeving of volmacht, dan is de beschikking in mijn optiek onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd. De “ondersteuning” van aandeelhouders en “participation agreements” zijn voor lastgeving en volmacht onvoldoende grond. Resteert volgens mij toelating langs de weg van art. 3:305a BW, welke bepaling in elk geval bij de mondelinge behandeling met zoveel woorden door SICAF aan haar optreden ten grondslag is gelegd en ook in de schriftelijke gedachtewisselingen ten overstaan van de Ondernemingskamer bediscussieerd is.
Scheipar-beschikking van de Hoge Raad van belang. [49] In die zaak werd geklaagd dat de Ondernemingskamer ten onrechte een voormalig bestuurder van een vennootschap en een Stichting had aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 282 lid 1 Rv Pro, en deze ten onrechte had toegelaten een verweerschrift in te dienen, haar advocaat ter zitting het woord te laten voeren en acht had geslagen op hetgeen namens haar was aangevoerd. Naar aanleiding van deze klacht overwoog de Hoge Raad:
KPNQwest-zaak, waarin de Hoge Raad de beslissing van de Ondernemingskamer in stand hield “dat de curatoren belanghebbenden zijn met name daarop gebaseerd dat een verzoek tot beëindiging van een door de ondernemingskamer bevolen onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een failliete rechtspersoon rechtstreeks het belang raakt van de faillissementscurator dat daarin is gelegen dat het onderzoeksverslag een rol kan spelen bij de beantwoording van de vraag of er grond is voor een aansprakelijkstelling op grond van wanbeleid en meer in het algemeen in het verkrijgen van openheid van zaken.” De Hoge Raad oordeelde in rov. 4.4.2 dat dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigde en ook geen nadere motivering behoefde. [50] Anders dan het onderdeel aanvoert, biedt de
KPNQwest-beschikking mijns inziens geen basis voor de stelling van Fortis dat SICAF niet als belanghebbende zou mogen optreden in de onderhavige enquêteprocedure.
Scheipar-beschikking waarin de Hoge Raad als gezegd heeft geoordeeld dat bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is een rol zal spelen “in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure word behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.” Volgens Fortis mist SICAF een eigen belang in de enquêteprocedure en is SICAF ook niet nauw betrokken, onder meer gelet op:
- de formulering van art. 3:305a BW, dat voor een stichting voorziet in de mogelijkheid om op te komen voor “gelijksoortige belangen van andere personen, voorzover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt,”
- het feit dat SICAF eerst na de in de enquêteprocedure onderzochte periode is opgericht.
Scheipar-beschikking – die op dit punt geen hard vereiste stelt, maar aangeeft wat “een rol” zal spelen – een stichting of vereniging die via art. 3:305a BW als belanghebbende wil opkomen de pas heeft willen afsnijden. Art. 3:305a BW vereist niet dat een stichting of rechtspersoon bestaat op het moment van de schending van de belangen in verband waarmee in rechte wordt opgekomen. Anders dan de onderdelen betogen, meen ik dat doordat de Stichting stelt op te komen voor de belangen van 2000 particuliere en meer dan 140 institutionele beleggers die tezamen 46 miljoen aandelen Fortis houden of in de onderzochte periode hebben gehouden, zij het vereiste belang heeft.
free for all” wordt”, waarvoor Fortis op blz. 236 waarschuwt.
onderdeel VIII.1.4suggereert dat de deur voor SICAF gesloten zou moeten blijven, waar zij in feite op schadevergoeding uit is, wordt miskend dat het verkrijgen van openheid van zaken een van de doeleinden is van het enquêterecht. Daarop ketsen ook alle subonderdelen die betogen dat het relatieve belang van SICAF geen bescherming verdient in de enquêteprocedure af.
Onderdeel VIII.2klaagt dat de Ondernemingskamer ten onrechte heeft overwogen dat Fortis tardief had aangevoerd dat SICAF onvoldoende zou hebben onderbouwd de belangen van de door haar gestelde aandeelhouders te behartigen. Dit onderdeel loopt mijns inziens stuk op het feit dat uitleg van partijstellingen geldt als feitelijk [52] en dus is voorbehouden aan de feitenrechter. [53] Daarbij merk ik op dat er geen regel is die de Ondernemingskamer in de enquêteprocedure verbiedt rekening te houden met overwegingen van proceseconomie en de eisen van de goede procesorde. [54] Dat de Ondernemingskamer de uitlating van SICAF dat niet eerder is gevraagd om bewijs te leveren van de particuliere en institutionele beleggers die haar ondersteunen kennelijk heeft begrepen als een bezwaar tegen de late betwisting, acht ik mede tegen de daaraan voorafgaande opmerking van de voorzitter van de Ondernemingskamer dat Fortis een en ander niet eerder heeft betwist, niet onbegrijpelijk. Wordt geoordeeld dat in het licht van de proceseconomie en de eisen van de goede procesorde het verweer van de zijde van Fortis tardief is opgebracht en SICAF daartegen bezwaar heeft gemaakt, dan behoeft de respons van de zijde van SICAF geen behandeling. Hetgeen Fortis verder aanvoert, kan niet tot cassatie leiden.
Onderdeel VIII.2faalt.
Onderdeel VIII.3voert aan dat SICAF, om toegelaten te kunnen worden tot de enquêteprocedure, op grond van art. 3:305a lid 2 BW eerst met Fortis in overleg had moeten treden. Lid 2 bepaalt dat een rechtspersoon als bedoeld in lid 1 niet-ontvankelijk is, “indien hij in de gegeven omstandigheden onvoldoende heeft getracht het gevorderde door het voeren van overleg met de gedaagde te bereiken. Een termijn van twee weken na de ontvangst door de gedaagde van een verzoek tot overleg onder vermelding van het gevorderde, is daartoe in elk geval voldoende.” Opgemerkt zij dat dit vereiste ertoe strekt zelfregulering door marktpartijen te bevorderen. Mogelijk onwillige partijen worden gestimuleerd om van tevoren overleg te voeren. Aldus wordt voorkomen dat belangenorganisaties onverhoeds actie ontplooien, waarmee de wederpartij - die de belangenorganisatie soms nog niet kende - wordt overvallen. [55] De rechter dient te beoordelen of, gelet op de omstandigheden van het geval, voldoende getracht is het gevorderde door het voeren van overleg te bereiken. [56] Blijkens de parlementaire geschiedenis zijn situaties denkbaar waarin de eis van voorafgaand overleg zelfs in het geheel niet kan worden gesteld: “… omstandigheden [zijn] denkbaar waarin het voeren van voorafgaand overleg onmogelijk of bij voorbaat zinloos zou zijn. In die gevallen zal het achterwege laten van dit overleg uiteraard niet tot niet-ontvankelijkheid dienen te leiden.” [57] De rechter zal, indien het verweer wordt gevoerd waarop deze bepaling doelt, naar bevind van zaken moeten handelen en beslissen. [58] In de literatuur wordt bijvoorbeeld gewezen op het geval waarin door een wederpartij op voorhand al wordt aangegeven dat het ingenomen standpunt niet zal worden herzien. Gesteld wordt dat soms kan worden volstaan met een telefoontje c.q. een fax waarin het standpunt wordt uiteengezet (met mogelijkheid voor reactie), waarmee wordt voorkomen dat de wederpartij wordt overrompeld, terwijl in andere gevallen partijen zich uitvoerig van elkaars standpunt dienen te vergewissen, en voorts hangt het van de omstandigheden af of het overleg dient te worden voortgezet. [59] In het licht van de ruimte die de parlementaire geschiedenis laat, meen ik dat er geen reden was voor de Ondernemingskamer om SICAF niet-ontvankelijk te verklaren. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien, waarover door middel van overleg in het kader van de reeds lopende enquêteprocedure overeenstemming bereikt had kunnen worden. Het onderdeel geeft in dit verband ook niet aan waarin dat overleg volgens Fortis had moeten resulteren.
Onderdeel VIII.3loopt daarop stuk.
Onderdeel VIIItreft geen doel.