Conclusie
LJNCA3499), waarin de Hoge Raad op 18 juni 2013 uitspraak heeft gedaan. [1]
eerste middelbehelst de klacht dat het hof heeft verzuimd op de terechtzitting in hoger beroep van 12 maart 2012 dan wel in het verkorte arrest te beslissen op het voorwaardelijke verzoek van de raadsvrouw van de verdachte om de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] te horen, terwijl wel is voldaan aan de aan het verzoek verbonden voorwaarde.
tweede middelbevat de klacht dat het hof ten onrechte heeft nagelaten in het bijzonder de redenen aan te geven op grond waarvan het hof is afgeweken van het namens de verdachte naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de getuigenverklaringen van [betrokkene 1] van 17 juni 2010 en [betrokkene 2] van 13 januari 2011 dienden te worden uitgesloten van het bewijs, nu deze verklaringen niet betrouwbaar en geloofwaardig kunnen worden geacht.
derde middelbehelst de klacht dat de bewezenverklaring van het in zaak A onder 2 tenlastegelegde feit en de bewezenverklaring van het in zaak B onder 1 tenlastegelegde feit niet naar de eis der wet met redenen zijn omkleed, nu het hof zich in zijn nadere bewijsoverwegingen heeft beroepen op bepaalde redengevende feiten en omstandigheden die niet uit de gebezigde bewijsmiddelen volgen, terwijl evenmin met voldoende mate van nauwkeurigheid is aangegeven aan welke wettige bewijsmiddelen die feiten en omstandigheden zouden kunnen worden ontleend.