ECLI:NL:HR:2009:BH7295
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- W.F. Groos
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot nadere onderzoekshandelingen voldoet niet aan vereisten art. 330 Sv
In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage. Het geschil betreft een verzoek van de verdediging tot het verrichten van nadere onderzoekshandelingen, waaronder het onderzoeken van kruitsporen op kleding van slachtoffers en het verifiëren of aangetroffen kogels van dezelfde wapens afkomstig zijn.
De verdediging stelde dat nader onderzoek noodzakelijk was vanwege de aanwezigheid van een kogel in het lichaam van een slachtoffer en het vermoeden van meerdere wapens. Het hof heeft dit verzoek niet expliciet behandeld, waarop de verdachte klaagde dat het hof ten onrechte niet op het verzoek had beslist.
De Hoge Raad overweegt dat art. 330 Sv Pro vereist dat een verzoek tot nadere onderzoekshandelingen welomschreven moet zijn, bijvoorbeeld door het noemen van specifieke getuigen of een concrete deskundigenvraag. Het verzoek van de verdediging voldeed hier niet aan, zodat het hof niet verplicht was daarop te beslissen.
De overige middelen van de verdachte en het middel van de benadeelde partij worden verworpen zonder nadere motivering, omdat deze geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opleveren. Het beroep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat het verzoek tot nadere onderzoekshandelingen niet voldoet aan de vereisten van art. 330 Sv.