Conclusie
Het middel
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak gaat het om het cassatieberoep tegen een beschikking van de Rechtbank Maastricht die het beklag van een notaris tegen beslaglegging op drie notariële zaaksdossiers ongegrond verklaarde. De dossiers waren in het kader van een strafrechtelijk onderzoek in beslag genomen zonder toestemming van de notaris, die zich beroept op zijn verschoningsrecht.
De notaris werd verdacht van valsheid in geschrifte met betrekking tot authentieke akten, waarbij onder meer sprake was van onjuiste vermelding van koopprijzen en het ontbreken van daadwerkelijke stortingen op derdenrekeningen. De rechtbank oordeelde dat er zeer uitzonderlijke omstandigheden waren die het belang van waarheidsvinding zwaarder doen wegen dan het verschoningsrecht van de notaris, mede vanwege de maatschappelijke functie van de notaris en de ernst van de verdenkingen.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat het verschoningsrecht niet absoluut is. Bij verdenking van ernstige strafbare feiten die de kern van het notariële ambt raken, zoals valsheid in geschrifte in authentieke akten, kan het belang van de strafvordering prevaleren. De Hoge Raad wijst op jurisprudentie waarin soortgelijke gevallen als uitzonderlijk zijn aangemerkt en benadrukt dat de inbreuk op het verschoningsrecht beperkt moet blijven tot wat strikt noodzakelijk is voor waarheidsvinding.
Het cassatieberoep faalt en de beschikking van de rechtbank blijft in stand. De inbeslagname blijft gehandhaafd onder verzegeling van de rechter-commissaris totdat onherroepelijk in rechte is beslist over de rechtmatigheid ervan.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag op de notariële dossiers blijft gehandhaafd.