ECLI:NL:PHR:2012:BX8746

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 september 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
CPG 11/05174 P
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt motivering ontnemingsvordering en verwijst zaak terug naar hof

Het arrest betreft een cassatieberoep tegen een vonnis van het hof Amsterdam dat betrokkene veroordeelde tot betaling van een bedrag van €1.091.051 aan wederrechtelijk verkregen voordeel. Betrokkene stelde dat het hof zijn schatting onvoldoende had gemotiveerd, omdat het gebruikte ontnemingsrapport slechts conclusies bevatte zonder onderliggende feiten en omstandigheden.

Daarnaast werd aangevoerd dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het voordeel van betrokkene en zijn echtgenote als een economische eenheid werd beschouwd, terwijl volgens betrokkene de bewijsmiddelen daarvoor niet nauwkeurig waren aangegeven. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht uitging van de verwevenheid tussen betrokkene en zijn echtgenote, aangezien deze niet in hoger beroep was betwist.

Verder werd een schending van de redelijke termijn aangevoerd, omdat de stukken te laat bij de Hoge Raad waren ingediend. De Hoge Raad erkende de overschrijding, wat het hof bij hernieuwde beoordeling kan meewegen.

De Hoge Raad vond geen gronden voor ambtshalve vernietiging en vernietigde het arrest, waarna de zaak werd terugverwezen naar het hof Amsterdam of een ander hof voor een nieuwe beoordeling op basis van het bestaande hoger beroep.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

Nr. 11/05174 P
Mr. Silvis
Zitting: 11 september 2012
Conclusie inzake:
[Betrokkene](1)
1. Bij arrest van 18 februari 2011 heeft het Gerechtshof te Amsterdam, aan betrokkene de plicht opgelegd om ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 1.091.051,-- aan de Staat te betalen.
2. Namens betrokkene heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt dat het Hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend heeft gemotiveerd, nu het delen van het strafrechtelijk financieel rapport tot bewijs heeft gebezigd die wat betreft een aantal inkomsten en uitgaven slechts de conclusies van de verbalisanten behelzen en niet alle daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden.
4. Het middel is terecht voorgesteld. Het hof heeft zijn schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, gezien de aanvulling op het verkorte arrest, gebaseerd op (delen van) een door verbalisanten [verbalisant 1 en 2] opgemaakte ontnemingsrapportage. Blijkens die rapportage is het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend volgens de methode van de eenvoudige kasopstelling waarbij uit de vergelijking van de contante uitgaven met de legale contante ontvangsten is afgeleid tot welk bedrag betrokkene onverklaarde inkomsten heeft gekregen. Het tot bewijs gebezigde deel van de rapportage bevat wat betreft de contante uitgaven in onder meer de door de steller van het middel genoemde paragrafen (7.4.1 tot en met 7.4.7 en 7.4.12) slechts de door de verbalisanten vastgestelde of berekende bedragen en niet de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden.(2)
Het middel slaagt dus.
5. Het tweede middel klaagt dat het Hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend heeft gemotiveerd nu het die schatting mede heeft gebaseerd op de feitelijke en financiële verwevenheid tussen betrokkene en [betrokkene 4] zonder met voldoende mate van nauwkeurigheid de bewijsmiddelen aan te geven waaruit die verwevenheid blijkt.
6. De gebezigde bewijsmiddelen houden in dat betrokkene en [betrokkene 4] getrouwd waren, en dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel tot uitgangspunt is genomen dat betrokkene en zijn echtgenote een economische eenheid zijn. Daaruit heeft het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat sprake was van een zodanige feitelijke en financiële verwevenheid tussen betrokkene en [betrokkene 4] dat het (ten aanzien van hen beiden gezamenlijk) berekende voordeel, volledig kan worden toegerekend aan betrokkene. Mede in aanmerking genomen dat niet blijkt dat een en ander in hoger beroep is betwist, was het Hof niet gehouden tot een nadere motivering. Het middel berust blijkens de toelichting kennelijk op de opvatting dat het Hof, gelet op HR 29 juni 2010, LJN BM9426, met voldoende mate van nauwkeurigheid de bewijsmiddelen had moeten aangeven waaraan het de feiten en omstandigheden heeft ontleend waaruit die verwevenheid blijkt. Aldus gaat de steller van het middel eraan voorbij dat genoemde uitspraak ziet op een geval waarin die feiten en omstandigheden door het Hof werden genoemd in een nadere bewijsoverweging ter weerlegging van het verweer dat geen sprake was van een dergelijke verwevenheid. Van een zodanige bewijsoverweging, noch van een dergelijk verweer, is hier sprake.
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering.
7. Het derde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro in cassatie is geschonden.
8. Het cassatieberoep is ingesteld op 28 februari 2011. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 10 november 2011 bij de Hoge Raad binnengekomen, zodat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Het middel is dus terecht voorgesteld. Het hof waarnaar de zaak wordt verwezen kan, indien het komt tot oplegging van een betalingsverplichting, rekening houden met de termijnoverschrijding in cassatie.
9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het arrest waarvan beroep en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam dan wel verwijzing naar een ander hof, ten einde opnieuw recht te doen op basis van het bestaande hoger beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 De zaken 11/00835P, 11/01027P, 11/05008P, 11/05009P, 11/05010P, 11/05174P en 11/05192P hangen samen. In al deze zaken zal ik heden concluderen.
2 Vgl. HR 13 juli 2010, LJN BM2560, NJ 2010/478 en HR 22 november 2011, LJN BT6412.