ECLI:NL:PHR:2012:BX3797
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over niet-ontvankelijkheid OM bij schending aanwezigheidsrecht verdachte door uitzetting
Verdachte werd veroordeeld voor openlijk geweld en stelde hoger beroep in. Tijdens de procedure werd verdachte onverwacht uitgezet naar Congo, waardoor hij zijn aanwezigheidsrecht bij de zitting niet kon uitoefenen. Het hof verklaarde daarop het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wegens schending van het aanwezigheidsrecht, omdat de overheid onvoldoende had gewaarborgd dat verdachte aanwezig kon zijn.
De Hoge Raad oordeelt dat het aanwezigheidsrecht van de verdachte niet absoluut is en dat het OM niet zonder meer niet-ontvankelijk verklaard kan worden vanwege een inbreuk op dit recht, tenzij sprake is van een ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde door met opsporing of vervolging belaste ambtenaren. De uitzetting viel onder verantwoordelijkheid van de Immigratie- en Naturalisatiedienst en niet van het OM.
De Hoge Raad benadrukt dat het initiatief om het aanwezigheidsrecht te effectueren bij de verdachte ligt, die zelf of via zijn raadsman aanhouding van de zaak moet verzoeken of een laissez passer moet aanvragen. Omdat verdachte geen verzoek tot aanhouding deed en geen maatregelen trof om zijn aanwezigheidsrecht te realiseren, kan worden aangenomen dat hij afstand heeft gedaan van dat recht.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling. Hiermee wordt bevestigd dat het OM niet automatisch niet-ontvankelijk is bij schending van het aanwezigheidsrecht door uitzetting, tenzij sprake is van grove nalatigheid of schending door het OM zelf.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en stelt dat het OM niet zonder meer niet-ontvankelijk is bij schending van het aanwezigheidsrecht door uitzetting.