ECLI:NL:PHR:2012:BW4756
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing gebruikelijkloonregeling op in België wonende directeur onder Nederlands-Belgisch belastingverdrag
Belanghebbende, een orthodontistenpraktijk met een in België wonende directeur en aanmerkelijk belanghouder, werd geconfronteerd met een naheffingsaanslag loonbelasting wegens toepassing van de fictief loonregeling (artikel 12a Wet LB 1964). Zowel de Rechtbank als het Gerechtshof verklaarden het beroep ongegrond en bevestigden dat het belastingverdrag Nederland-België 2001 de toepassing van deze regeling niet in de weg staat.
De kern van het geschil betrof de vraag of de Nederlandse fictief loonregeling verenigbaar is met het verdragsrecht, met name de artikelen 15 en 16 van het verdrag die de heffingsbevoegdheid regelen. De Hoge Raad oordeelde dat het begrip 'verkregen' in het verdrag mede moet worden uitgelegd conform het Nederlandse nationale recht, waardoor fictief loon onder het verdrag kan worden belast.
Daarnaast werd de door de Inspecteur toegepaste afroommethode om het gebruikelijk loon vast te stellen als passend en voldoende onderbouwd beoordeeld. Klachten over de hoogte van het loon en de niet-betrokkenheid van de vrijval van de Reserve uitgesteld Salaris werden verworpen. De Hoge Raad bevestigde dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en dat het verdrag geen belemmering vormt voor de Nederlandse heffing op fictief loon in deze situatie.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag loonbelasting is terecht opgelegd.