ECLI:NL:PHR:2012:BW2489
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling uitleveringsverzoek aan de Verenigde Staten en toepassing mensenrechten
De zaak betreft het uitleveringsverzoek van een persoon aan de Verenigde Staten, waarbij de rechtbank Rotterdam de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard. De verdediging stelde diverse middelen van cassatie in tegen deze beslissing, waaronder klachten over de behandeling van de zaak met gesloten deuren, de afwijzing van verzoeken tot nader onderzoek en het betoog dat uitlevering ontoelaatbaar zou zijn wegens foltering.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank bevoegd is om getuigen of deskundigen te horen in het kader van het onderzoek naar identiteit en ontvankelijkheid van het uitleveringsverzoek. Verzoeken tot nader onderzoek die niet binnen deze kaders vallen, zoals onderzoek naar ne bis in idem of betrokkenheid van Amerikaanse autoriteiten bij foltering, zijn terecht afgewezen gezien het beperkte karakter van de uitleveringsprocedure en het vertrouwen in de verzoekende staat.
Met betrekking tot het verbod op foltering (artikel 3 EVRM Pro) stelt de Hoge Raad dat uitlevering ontoelaatbaar is indien vaststaat dat de opgeëiste persoon door of door toedoen van functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd. In deze zaak is onvoldoende gebleken van directe betrokkenheid van Amerikaanse functionarissen bij foltering in Pakistan. Ook het verzoek om het horen van een getuige-deskundige over psychische gevolgen van uitlevering is afgewezen omdat dit niet noodzakelijk werd geacht binnen de procedure.
De Hoge Raad bevestigt dat de rechtbank zich niet kan uitlaten over mogelijke dreigende schendingen van artikel 3 EVRM Pro na uitlevering, dit is voorbehouden aan de Minister van Veiligheid en Justitie. De middelen van cassatie worden verworpen en het beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de toelaatbaarheid van de uitlevering aan de Verenigde Staten.