ECLI:NL:PHR:2012:BV7390
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepassing bedrijfsfusiefaciliteit bij inbreng onderneming met achterlating bedrijfspand
Belanghebbende bracht haar makelaardijonderneming in een holding in, waarbij het bedrijfspand achterbleef en aan een dochtervennootschap werd verhuurd. De Inspecteur weigerde toepassing van de bedrijfsfusiefaciliteit voor de winst op het bedrijfspand. Rechtbank en Hof bevestigden dit oordeel, stellende dat het achterblijvende pand geen zelfstandige tak van bedrijvigheid vormt.
In cassatie betoogde belanghebbende dat de beoordeling van het begrip 'tak van bedrijvigheid' vanuit de inbrengende vennootschap moet plaatsvinden en dat de faciliteit ook geldt bij doorinbreng, mits het overgedragen geheel zelfstandig kan functioneren. De Hoge Raad bevestigde dat de Fusierichtlijn en artikel 14 Wet Pro Vpb aldus moeten worden uitgelegd, waarbij het achterblijven van activa niet per definitie uitsluit dat sprake is van een tak van bedrijvigheid.
De Hoge Raad verwierp het standpunt van het Hof dat de nadien door de holding ontplooide activiteiten relevant zijn voor de beoordeling en bevestigde dat het oordeel van het Hof dat de verhuur van het bedrijfspand geen tak van bedrijvigheid vormt, niet onbegrijpelijk is. Het cassatieberoep werd gegrond verklaard vanwege een verkeerde maatstaf bij de beoordeling van het begrip tak van bedrijvigheid.
Uitkomst: Hoge Raad verklaart cassatieberoep gegrond en bevestigt dat het begrip 'tak van bedrijvigheid' bij bedrijfsfusiefaciliteit vanuit de inbrenger moet worden beoordeeld, waarbij achterblijvende activa geen uitsluitingsgrond zijn.