ECLI:NL:PHR:2012:BV6687
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over schriftelijkheidsvereiste en totstandkoming aannemingsovereenkomst bij aanbesteding
Deze zaak betreft een geschil tussen woningstichting Vivare en aannemer [verweerster] over de totstandkoming en prijsbinding van een aannemingsovereenkomst voor een woningbouwproject verdeeld in drie fasen. Vivare had het project onderhands aanbesteed volgens het Uniform Aanbestedingsreglement 2001 (UAR 2001). [Verweerster] was de laagste inschrijver en voerde het werk uit, maar er ontstond onenigheid over de uitvoering en prijs van fase 2.
Het centrale geschil betrof of en wanneer een overeenkomst tot stand was gekomen voor fase 2, mede in het licht van het schriftelijkheidsvereiste van artikel 25 lid 2 UAR Pro 2001, dat voorschrijft dat de opdracht door de aanbesteder schriftelijk moet worden medegedeeld. Het hof had geoordeeld dat een mondelinge opdracht tot stand kon komen en dat Vivare zich niet had verbonden vóór het verkrijgen van de bouwvergunning, die pas na het verstrijken van de gestanddoeningstermijn was verleend.
De Hoge Raad bevestigt dat het schriftelijkheidsvereiste in art. 25 lid 2 UAR Pro 2001 geen constitutief vereiste is voor de totstandkoming van de aannemingsovereenkomst, maar een bewijsregeling betreft. De Hoge Raad benadrukt echter het belang van het schriftelijkheidsvereiste voor rechtszekerheid, gelijke behandeling en transparantie bij aanbestedingen. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat Vivare niet binnen de gestanddoeningstermijn het aanbod van [verweerster] voor fase 2 heeft aanvaard, waardoor zij niet gebonden is aan de oorspronkelijke prijs en indexering.
De Hoge Raad verwerpt het principale cassatieberoep van Vivare, maar acht het incidentele beroep van [verweerster] gegrond, vernietigt het arrest van het hof voor zover het art. 25 lid 2 UAR Pro 2001 anders uitlegde en benadrukt dat schriftelijke opdracht vereist is voor de totstandkoming van de overeenkomst. De zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling.
Deze uitspraak verduidelijkt de uitleg van het schriftelijkheidsvereiste in aanbestedingsrecht en de gevolgen van het niet tijdig aanvaarden van een aanbieding binnen de gestanddoeningstermijn.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor zover het art. 25 lid 2 UAR 2001 anders uitlegde en bevestigt dat schriftelijke opdracht vereist is voor totstandkoming van de overeenkomst.