ECLI:NL:PHR:2012:BV1029
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat echtscheidingsbeschikking kracht behoudt tot inschrijving na kracht van gewijsde en beoordeelt wijziging hoofdverblijfplaats minderjarige
In deze zaak zijn partijen gehuwd en hebben zij een minderjarig kind. Partijen hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin is afgesproken dat de hoofdverblijfplaats van het kind bij de moeder zou zijn, met instemming van de vader voor een mogelijke verhuizing naar Noorwegen.
De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken en bepaald dat het kind zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft. De vrouw is tegen deze nevenvoorziening in hoger beroep gegaan, maar niet tegen de echtscheidingsbeslissing zelf. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd en geoordeeld dat de hoofdverblijfplaats bij de vader moet blijven vanwege de stabiele leefomgeving en het belang van het kind.
De vrouw stelde in cassatie dat het hof haar niet-ontvankelijk had moeten verklaren omdat de echtscheidingsbeschikking ten tijde van het hoger beroep haar kracht had verloren door het ontbreken van tijdige inschrijving. De Hoge Raad verwierp dit en stelde dat de termijn voor inschrijving pas begint te lopen nadat de appelbeschikking in kracht van gewijsde is gegaan. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het hof terecht de wijziging van omstandigheden heeft meegewogen en dat het belang van het kind bij stabiliteit zwaarder woog dan de afspraken in de vaststellingsovereenkomst.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat het hof terecht de hoofdverblijfplaats van het kind bij de vader heeft vastgesteld en dat de echtscheidingsbeschikking haar kracht behoudt tot inschrijving na kracht van gewijsde.