ECLI:NL:PHR:2012:BU8789
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor feitelijk leidinggeven aan bedrieglijke bankbreuk door rechtspersoon
De zaak betreft een verdachte die werd veroordeeld voor feitelijk leidinggeven aan bedrieglijke bankbreuk gepleegd door twee failliete besloten vennootschappen. Het hof had vastgesteld dat verdachte ondanks bestuurderswisselingen feitelijk de leiding had over de vennootschappen en verantwoordelijk was voor het niet overhandigen van de administratie aan de curator en het onttrekken van geld aan de boedel.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft waarom verdachte feitelijk leiding zou hebben gegeven aan het niet overhandigen van de administratie, mede omdat verdachte verklaarde dat de administratie op kantoor was achtergebleven en hij deze niet had. Hierdoor wordt het arrest vernietigd voor dit onderdeel en wordt de zaak terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.
Voor het tweede feit, het onttrekken van geld aan de boedel door het opnemen van contante bedragen met een bankpas die op naam van de vennootschap stond en door verdachte werd gebruikt, bevestigt de Hoge Raad de veroordeling. Verdachte had feitelijk leiding over deze verboden gedraging. De Hoge Raad wijst tevens op overschrijding van de redelijke termijn, wat tot strafvermindering kan leiden, maar laat dit buiten beschouwing vanwege de terugwijzing.
De opgelegde straf door het hof betrof tien maanden gevangenisstraf, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor feitelijk leidinggeven aan onttrekken van geld aan de boedel en vernietigt het arrest voor het onderdeel niet-overdracht administratie, met terugwijzing.