ECLI:NL:PHR:2012:BU3436
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter bij arbitrageclausule en onvoorziene omstandigheden
In deze zaak staat centraal of een arbitraal beding de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter uitsluit, ondanks dat een wetswijziging in Duitsland de tenuitvoerlegging van een arbitrale uitspraak belemmert. De Nederlandse expediteur DSV (rechtsopvolger van [A]) vorderde betaling van een arbitrale vordering, maar de Duitse rechter weigert tenuitvoerlegging vanwege het ontbreken van een schriftelijke arbitrageovereenkomst.
De rechtbank Rotterdam verklaarde zich onbevoegd, wat door het hof werd bevestigd. Het hof oordeelde dat het EEX-Verdrag arbitrage uitsluit van de bevoegdheidsregeling en dat de arbitrageclausule geldig is. Het beroep op onvoorziene omstandigheden (art. 6:258 BW Pro) om het arbitrale beding te negeren, faalde omdat de problemen bij erkenning en tenuitvoerlegging voor rekening van DSV komen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van DSV, bevestigde dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is en dat DSV zich tot de Duitse rechter kan wenden. Het hof trad niet onrechtmatig buiten de rechtsstrijd en motiveerde zijn oordeel voldoende. Het beroep werd verworpen met toepassing van art. 81 RO Pro.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de Nederlandse rechter onbevoegd is vanwege de geldige arbitrageclausule en wijst het cassatieberoep af.