ECLI:NL:PHR:2011:BT1851
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontslag op staande voet wegens onjuiste financiële verslaglegging niet onverwijld gegeven; geen aansprakelijkheid werknemer wegens gebrek aan opzet of bewuste roekeloosheid
De zaak betreft een geschil tussen Alanheri N.V. en haar voormalig adjunct-directeur over een ontslag op staande voet en de daaraan verbonden aansprakelijkheidsvorderingen. Alanheri stelde dat de werknemer betrokken was bij onjuiste administratieve handelingen met betrekking tot verlofdagen, incourante voorraden en het vooruitschuiven van kosten, wat leidde tot een onjuist beeld van de financiële positie van de onderneming.
De werknemer werd op 17 maart 2008 op staande voet ontslagen. De Kantonrechter oordeelde dat het ontslag weliswaar onverwijld was gegeven, maar dat er geen dringende reden was voor ontslag. Het hof bekrachtigde dit oordeel en stelde dat het ontslag niet onverwijld was gegeven omdat Alanheri al in augustus 2007 op de hoogte was van de onjuistheden en de rol van de werknemer, maar pas in maart 2008 onderzoek startte.
Daarnaast oordeelde het hof dat de werknemer niet aansprakelijk was op grond van artikel 7:661 BW Pro omdat niet was komen vast te staan dat hij met opzet of bewuste roekeloosheid handelde. De Hoge Raad bevestigt dat het ontslag niet onverwijld is gegeven en dat de werknemer niet aansprakelijk is wegens het ontbreken van opzet of bewuste roekeloosheid, waarbij het hof terecht een subjectieve maatstaf hanteerde voor bewuste roekeloosheid.
De Hoge Raad wijst erop dat cassatie zich beperkt tot toetsing van rechtsklachten en niet tot feitelijke beoordeling van de onderliggende feiten, en concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet is niet onverwijld gegeven en de werknemer is niet aansprakelijk wegens het ontbreken van opzet of bewuste roekeloosheid.