ECLI:NL:PHR:2011:BT1525
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt waardering onroerend goed in verhuurde staat voor inkomstenbelasting 2004
Belanghebbende, directeur en enig aandeelhouder van een beheersmaatschappij, verhuurde sinds 1998 een pand aan zijn eigen BV. In 2004 ontstond discussie over de waardering van dit pand voor de inkomstenbelasting, waarbij het geschil draaide om de waarde per 1 januari 2001: €220.083 volgens belanghebbende, of €190.000 volgens de inspecteur, gebaseerd op een gezamenlijke taxatie.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat de waarde in het economische verkeer per 1 januari 2001 moet worden bepaald in verhuurde staat, rekening houdend met het bestaande huurcontract en uitgaande van onafhankelijke derden. Het Hof vond geen ernstige gebreken in de gezamenlijke taxatie en bevestigde de waarde van €190.000.
In cassatie stelde belanghebbende dat de waarde vrij van huur moest worden genomen en dat de taxatie onjuist was vanwege een verkeerde aanname over de opzegtermijn. De Hoge Raad verwierp deze klachten, bevestigde dat de waarde in verhuurde staat moet worden gehanteerd en dat belanghebbende gebonden is aan de minnelijke taxatie, omdat er geen ernstige gebreken waren.
De uitspraak bevestigt het belang van een objectieve waardering in het economische verkeer, waarbij bestaande huurrechten en marktconforme omstandigheden worden meegenomen, en benadrukt dat afspraken over gezamenlijke taxaties alleen bij ernstige gebreken kunnen worden vernietigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de waardering van het pand in verhuurde staat op €190.000 per 1 januari 2001.