ECLI:NL:PHR:2011:BS1688
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toekenning eenhoofdig gezag aan moeder en ontzegging omgangsrecht vader met zoon
De zaak betreft een geschil tussen ouders over het gezag en omgangsrecht van hun minderjarige kinderen. Het hof had vastgesteld dat de vader onmachtig is om de belangen van de kinderen voorop te stellen en kende de moeder het eenhoofdig gezag toe. Tevens werd het omgangsrecht van de vader met zijn zoon ontzegd vanwege zwaarwegende belangen van het kind, gebaseerd op een psychologisch rapport.
De vader stelde cassatieberoep in tegen deze beslissingen. Hij voerde onder meer aan dat het hof buiten de grenzen van het geding trad door het omgangsrecht zonder tijdslimiet te ontzeggen en dat het oordeel over zijn onmacht onjuist was. De Hoge Raad oordeelde dat het niet vereist is om een tijdsduur te verbinden aan de ontzegging van het omgangsrecht, omdat de ouder zich bij wijziging van omstandigheden opnieuw tot de rechter kan wenden.
Daarnaast verwierp de Hoge Raad de overige klachten van de vader, waaronder procesrechtelijke bezwaren en inhoudelijke kritiek op het oordeel over zijn geschiktheid als ouder. De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel van het hof dat het belang van de kinderen het beste gediend is met eenhoofdig gezag bij de moeder en ontzegging van het omgangsrecht van de vader met zijn zoon.
Uitkomst: De moeder krijgt het eenhoofdig gezag over de kinderen en de vader wordt het omgangsrecht met zijn zoon ontzegd zonder tijdslimiet.