ECLI:NL:PHR:2011:BR0403
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Herziening bewijsgebruik na terugwijzing in hoger beroep bij zedendelictzaak
In deze zaak oordeelt de Hoge Raad over de toelaatbaarheid van het gebruik van getuigenverklaringen die zijn afgelegd vóór de terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad. De zaak betreft een zedendelict waarbij de verdachte in eerste aanleg tot vier jaar gevangenisstraf werd veroordeeld. Na cassatie vernietigde de Hoge Raad een arrest van het hof dat op basis van een eerder onderzoek tot niet-ontvankelijkheid had beslist.
De Hoge Raad herhaalt dat bij een onbeperkte terugwijzing het hof het onderzoek in hoger beroep volledig opnieuw moet aanvatten en voltooien, en dat verklaringen die vóór de terugwijzing zijn afgelegd niet zonder meer als ter terechtzitting in het nieuwe onderzoek mogen worden gebruikt, tenzij zij zijn voorgelezen volgens art. 301 Sv Pro. Het hof had in de bestreden uitspraak toch waarde gehecht aan een dergelijke verklaring, wat in strijd is met de verwijzingsopdracht.
De Hoge Raad benadrukt dat sinds 1 juli 2003 de wettelijke fictie omtrent het gebruik van verklaringen is vervallen en dat het bewijsgebruik strikt moet voldoen aan de voorschriften van art. 301 Sv Pro. Het arrest wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar het hof te 's-Hertogenbosch voor een volledig nieuw onderzoek en afdoening van het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor volledig nieuw onderzoek en afdoening in hoger beroep.