ECLI:NL:PHR:2011:BQ3983
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij mensensmokkel ondanks vrijspraak deelneming criminele organisatie
In deze zaak staat de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, verkregen door de veroordeelde via mensensmokkel. De veroordeelde werd veroordeeld voor medeplegen van mensensmokkel in de periode van november 2002 tot januari 2003, maar vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie in een deel van die periode. Het Hof had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €3.200,- en een betalingsverplichting opgelegd van €2.200,-.
De verdediging voerde aan dat ontneming van voordeel uit soortgelijke feiten, waarvoor de veroordeelde vrijgesproken was, in strijd zou zijn met het recht op onschuld en dat het Hof onvoldoende had gemotiveerd waarom deze feiten toch in de ontnemingsprocedure werden betrokken. De Hoge Raad toetste deze overwegingen en bevestigde dat vrijspraak van deelneming aan een criminele organisatie niet automatisch betekent dat ontneming van voordeel uit soortgelijke feiten onmogelijk is, omdat die feiten ook buiten het verband van de organisatie kunnen zijn gepleegd.
Tegelijkertijd stelde de Hoge Raad vast dat het Hof onvoldoende had onderzocht of de vrijspraak was gegeven omdat niet bewezen kon worden dat de veroordeelde zich met mensensmokkel had beziggehouden in die periode. Hierdoor was de motivering van het Hof onvoldoende en moest de zaak worden terugverwezen voor hernieuwde beoordeling. De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest en verwees de zaak terug naar het Hof voor een nieuwe beoordeling op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug vanwege onvoldoende motivering over de gevolgen van vrijspraak voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.