ECLI:NL:PHR:2011:BQ1972
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt veroordeling wegens verduistering door maatschappelijk werkster ondanks ontbreken formele beheerrechten
Verdachte, werkzaam als maatschappelijk werkster bij een GGZ-instelling, werd veroordeeld voor meervoudige verduistering van geldbedragen van een cliënt die in een beginnend stadium van dementie verkeerde. De geldbedragen werden gepind met de pinpas en pincode van de cliënt, waarbij verdachte meerdere malen zelfstandig geld opnam en zich toe-eigende.
De rechtbank en het hof oordeelden dat verdachte het geld anders dan door misdrijf onder zich had, en dat het onwaarschijnlijk was dat de cliënt zelfstandig de geldopnames deed. Verdachte voerde aan dat zij slechts eenmaal zelfstandig had gepind en dat de overige opnames in opdracht van de cliënt waren gedaan, maar dit werd door de feitenrechter verworpen.
In cassatie stelde verdachte dat art. 321 Sr Pro vereist dat het goed op grond van een rechtsverhouding onder zich moet zijn gehad, wat volgens haar niet het geval was. De Hoge Raad verwierp dit middel en bevestigde dat ook onrechtmatig houderschap, voortvloeiend uit eigenmachtig handelen, kan leiden tot verduistering. De veroordeling bleef in stand, ondanks dat verdachte formeel niet bevoegd was om de pinpas te gebruiken.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling wegens meervoudige verduistering.