ECLI:NL:HR:2011:BQ1972
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Verwerping cassatieberoep in zaak verduistering door maatschappelijk werker
Verdachte, werkzaam als maatschappelijk werker bij een GGZ-instelling, werd door het hof veroordeeld voor verduistering van meerdere geldbedragen van een cliënt die onder haar begeleiding stond. Het hof stelde vast dat verdachte tussen september en december 2003 op verschillende data geldbedragen van € 1.000,- had opgenomen van de girorekening van de cliënt, terwijl deze in dagbehandeling was en niet in staat werd geacht zelfstandig zulke handelingen te verrichten.
Verdachte voerde aan dat zij slechts eenmaal op verzoek van de cliënt geld had opgenomen en dat de overige opnames door de cliënt zelf waren gedaan. Het hof achtte dit ongeloofwaardig, mede gelet op de beperkte rapportage van verdachte en het feit dat de cliënt in een beginnend stadium van dementie verkeerde. Ook was het niet aannemelijk dat de cliënt zelfstandig met taxi's naar pinautomaten was gegaan om grote bedragen op te nemen.
In cassatie betoogde verdachte dat art. 321 Sr Pro vereist dat het goed dat is verduisterd op grond van een rechtsverhouding onder zich moet zijn gehad, wat volgens haar niet het geval was. De Hoge Raad verwierp dit middel en bevestigde daarmee het oordeel van het hof dat verdachte zich wederrechtelijk het geld had toegeëigend.
De Hoge Raad wees het beroep af en bevestigde de strafrechtelijke aansprakelijkheid van verdachte voor verduistering, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor verduistering.