ECLI:NL:PHR:2011:BP6420
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontvankelijkheid en bewijs, vermindert straf wegens overschrijding redelijke termijn
De zaak betreft een strafrechtelijke procedure tegen verdachte wegens het medeplegen van het onjuist of onvolledig doen van belastingaangiften door een rechtspersoon, waarbij verdachte feitelijke leiding gaf. Het hof veroordeelde verdachte tot 42 maanden gevangenisstraf. Verdachte voerde in hoger beroep en cassatie onder meer aan dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard vanwege een schending van het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn en dat bewijs onrechtmatig was verkregen.
Het hof oordeelde dat het tijdsverloop in de procedure, inclusief de periode tussen de huiszoeking in 1997 en de aanhouding in 2000, niet aan het openbaar ministerie kon worden toegerekend omdat verdachte toen nog niet als verdachte werd beschouwd. Ook de vertraging in hoger beroep werd toegerekend aan de proceshouding van verdachte zelf. Het hof verwierp het bewijsuitsluitingsverweer omdat er een redelijk vermoeden van schuld was op basis van afdrachtverschillen en validiteitsonderzoek.
In cassatie bevestigde de Hoge Raad het oordeel van het hof over ontvankelijkheid en bewijs. Wel erkende de Hoge Raad dat de cassatieprocedure de redelijke termijn had overschreden, wat aanleiding gaf tot strafvermindering. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest alleen voor zover het de strafmaat betreft en mat de straf passend naar beneden, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigde de veroordeling maar mat de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.