ECLI:NL:PHR:2011:BP4943
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot het indienen van een enquêteverzoek door een primary beneficiary van een trust volgens Nederlands recht
De zaak betreft de vraag of een primary beneficiary van een trust naar het recht van Bermuda, die aandelen houdt in Nederlandse Antilliaanse vennootschappen die op hun beurt aandelen houden in een Nederlandse BV, bevoegd is een enquêteverzoek in te dienen over het beleid en de gang van zaken in deze Nederlandse vennootschap. De Ondernemingskamer had [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot het houden van een enquête.
De Hoge Raad bevestigt dat de opsomming van enquêtegerechtigden in art. 2:346 BW Pro limitatief is en dat het enkel hebben van een economisch belang onvoldoende is om als enquêtegerechtigde te worden aangemerkt. De primaire beneficiary van de trust heeft geen in rechte te handhaven vorderingsrecht op de revenuen uit de aandelen en kan daarom niet worden gelijkgesteld met een economisch rechthebbende certificaathouder of aandeelhouder.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat de Nederlandse wetgever bewust de kring van enquêtegerechtigden beperkt heeft om rechtsonzekerheid te voorkomen. Ook een verzoek tot het houden van een concernenquête in de dochtervennootschap is niet ontvankelijk indien de moedervennootschap niet in Nederland is gevestigd. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee de niet-ontvankelijkheid van het verzoek tot het houden van een enquête door de primary beneficiary.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de primary beneficiary van de trust niet bevoegd is een enquêteverzoek in te dienen over de Nederlandse vennootschap TESN.