ECLI:NL:HR:2002:AD8831
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J. Zuurmond
- F.W.G.M. van Brunschot
- A. Hammerstein
- C.B. Bavinck
- J.C. van Oven
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot verzoek tot onderzoek beleid en gang van zaken bij naamloze vennootschap
De zaak betreft een verzoek van De Vries Robbé Groep N.V. tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de vennootschap over de periode april 1997 tot maart 1998, ingediend bij de Ondernemingskamer. BTG Holdings B.V. betwistte de ontvankelijkheid van dit verzoek en stelde dat De Vries Robbé niet bevoegd was om een dergelijk verzoek in te dienen.
De Ondernemingskamer wees het verzoek van De Vries Robbé toe en nam diverse maatregelen, waaronder het benoemen van een president-commissaris met doorslaggevende stem en het toekennen van bepaalde bevoegdheden aan de raad van commissarissen. BTG stelde beroep in cassatie tegen deze beschikkingen.
De Hoge Raad oordeelde dat op grond van de tekst en wetsgeschiedenis van artikel 2:345 en Pro 2:346 BW de bevoegdheid tot het indienen van een verzoek tot onderzoek uitsluitend toekomt aan de in de wet genoemde personen en niet aan de vennootschap zelf. De Hoge Raad vernietigde daarom de beschikkingen van de Ondernemingskamer en verklaarde De Vries Robbé niet-ontvankelijk in haar verzoeken. Tevens werd De Vries Robbé veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart De Vries Robbé niet-ontvankelijk in haar verzoek tot onderzoek en vernietigt de beschikkingen van de Ondernemingskamer.