Met twee op 22 maart 2000 ter griffie van het Gerechtshof te Amsterdam ingediende verzoekschriften in de zaak OK 87 heeft verweerster in cassatie sub 1 - verder te noemen: De Vries Robbé - zich gewend tot de Ondernemingskamer aldaar en de Ondernemingskamer verzocht een onderzoek in te stellen naar het beleid en de gang van zaken van de naamloze vennootschap De Vries Robbé Groep N.V., gevestigd te Gorinchem en kantoorhoudende te Huis ter Heide, in het tijdvak van april 1997 tot en met 23 maart 1998, respectievelijk met onmiddellijke ingang maatregelen te bevelen voor de duur van de enquêteprocedure.
BTG heeft de Ondernemingskamer verzocht De Vries Robbé niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek en haar verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen af te wijzen.
De Ondernemingskamer heeft bij een in een proces-verbaal opgenomen beschikking van 20 april 2000 De Vries Robbé ontvankelijk in haar verzoeken verklaard, met onmiddellijke ingang voor de duur van het geding een nog aan te wijzen persoon benoemd in de functie van president-commissaris met doorslaggevende stem, en bepaald dat aan de raad van commissarissen alle bevoegdheden toekomen met betrekking tot benoeming, schorsing en ontslag van de bestuurders van de vennootschap.
Vervolgens heeft de Ondernemingskamer bij beschikking van 21 april 2000 [verweerder 2] aangewezen in de hiervoor vermelde functie.
Bij beschikking van 18 mei 2000 heeft de Ondernemingskamer beslist dat die aanwijzing van kracht is geworden op 18 mei 2000.
Met een op 17 mei 2000 ter griffie van het Gerechtshof te Amsterdam ingediend verzoekschrift in de zaak OK 88 heeft De Vries Robbé de Ondernemingskamer verzocht bij wege van (nadere) onmiddellijke voorziening voor de duur van het geding te bepalen dat de raad van commissarissen van De Vries Robbé bij uitsluiting alle bevoegdheden zal uitoefenen die bij wet en statuten aan de vergadering van prioriteitsaandeelhouders zijn toegekend, althans enige andere door de Ondernemingskamer in goede justitie te bepalen maatregel te nemen.
Op 22 mei 2000 heeft de Advocaat-Generaal bij het Gerechtshof te Amsterdam bij de Ondernemingskamer een vordering ingediend opdat om reden van openbaar belang een onderzoek wordt ingesteld naar het beleid en gang van zaken van de vennootschap over het tijdvak van maart 1997 tot april 1998, een en ander zoals in de vordering vermeld, en verzocht voeging van deze vordering met de verzoeken van De Vries Robbé.
De Ondernemingskamer heeft bij haar in een proces-verbaal opgenomen beschikking van 25 mei 2000 de gevraagde (nadere) onmiddellijke voorziening, inhoudende dat tijdens de duur van de procedure alle bevoegdheden van de vergadering van prioriteitsaandeelhouders toekomen aan de raad van commissarissen, toegewezen.
Bij beschikking van 22 juni 2000 heeft de Ondernemingskamer op het verzoek van De Vries Robbé een onderzoek bevolen naar de gang van zaken van De Vries Robbé in het tijdvak van 1 april 1997 tot 18 mei 2000, [verweerder 3] te [...] benoemd teneinde voormeld onderzoek te verrichten, en een beslissing omtrent de onderzoekskosten gegeven. Voorts heeft de Ondernemingskamer de behandeling van voormelde vordering van de Advocaat-Generaal en iedere verdere beslissing aangehouden.
De beschikkingen van de Ondernemingskamer van 20 en 21 april 2000 en van 22 juni 2000 zijn aan deze beschikking gehecht.