ECLI:NL:PHR:2011:BP3082
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van ambtshalve vermindering voorlopige aanslag en vergoeding heffingsrente in belastingrecht
In deze zaak staat centraal of de inspecteur terecht de voorlopige aanslag ambtshalve heeft verminderd in plaats van een nadere voorlopige aanslag op te leggen, en of daarbij heffingsrente vergoed moet worden. De rechtbank en het hof hebben geoordeeld dat de inspecteur een vrije keuze heeft, maar dat deze keuze niet in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel en de belangen van de belastingplichtige onvoldoende zijn meegewogen.
De Hoge Raad benadrukt dat artikel 13 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en de wetsgeschiedenis niet toestaan dat een negatieve voorlopige aanslag ambtshalve wordt verminderd zonder rechtsmiddel, omdat dit de rechtsbescherming van de belanghebbende aantast. De inspecteur moet een nadere voorlopige aanslag opleggen, waartegen bezwaar mogelijk is.
Daarnaast wordt het onderscheid tussen heffingsrente en invorderingsrente besproken, waarbij heffingsrente wordt berekend vanaf 1 juli van het belastingjaar en invorderingsrente vanaf 1 januari van het volgende jaar. De Hoge Raad stelt dat de inspecteur bij het opleggen van een voorlopige aanslag rekening moet houden met de gevolgen voor rentevergoeding en dat het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel van toepassing zijn op de belangenafweging.
De uitspraak benadrukt de noodzaak van een zorgvuldige belangenafweging door de inspecteur en wijst op de beperkingen van het ambtshalve verminderen van voorlopige aanslagen. Tevens wordt gewezen op de complexiteit van het heffingsrentesysteem en de noodzaak van wetgevende aanpassingen om inconsistenties te voorkomen.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat de inspecteur niet vrij is om een voorlopige aanslag ambtshalve te verminderen zonder een nadere voorlopige aanslag op te leggen en bevestigt dat heffingsrente moet worden vergoed volgens de wettelijke regels.