ECLI:NL:HR:2011:BP3082

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/03723
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 AWRArt. 30j AWRArt. 65 AWRArt. 3:4 AwbArt. 6:2 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt vergoeding heffingsrente bij schending evenredigheidsbeginsel

In deze zaak is aan belanghebbende voor het jaar 2007 een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting opgelegd. Deze aanslag is ambtshalve verminderd zonder vergoeding van heffingsrente. Belanghebbende maakte bezwaar tegen het uitblijven van heffingsrente, dat door de Inspecteur werd afgewezen. De Rechtbank Arnhem verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de uitspraak op bezwaar, waarna het Hof Arnhem het beroep bij de Rechtbank bevestigde en een vergoeding van heffingsrente toekende.

De Minister van Financiën stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Hof. De Hoge Raad verwees naar een eerdere uitspraak van 28 oktober 2011 (nr. 10/02166) waarin dezelfde rechtsvraag aan de orde was en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. De Hoge Raad bevestigde daarmee dat bij het handelen in strijd met het evenredigheidsbeginsel een vergoeding van heffingsrente toekomt.

De Staatssecretaris van Financiën werd veroordeeld in de proceskosten van het cassatiegeding. Het arrest werd gewezen door vijf raadsheren onder voorzitterschap van C. Schaap en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2011.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Minister van Financiën wordt ongegrond verklaard en belanghebbende krijgt vergoeding van heffingsrente toegekend.

Uitspraak

Nr. 10/03723
11 november 2011
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Minister van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 13 juli 2010, nr. 09/00326, betreffende vergoeding van heffingsrente aan X Beheer B.V. te Z (hierna: belanghebbende).
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is voor het jaar 2007 een voorlopige aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd. Deze voorlopige aanslag is op 20 september 2008 ambtshalve verminderd, waarbij geen heffingsrente is vergoed. Het hiertegen gerichte bezwaar is bij uitspraak van de Inspecteur ongegrond verklaard.
De Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 08/5922) heeft het tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en bepaald dat de inspecteur opnieuw uitspraak op bezwaar doet met inachtneming van deze uitspraak.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het beroep bij de Rechtbank gegrond verklaard en aan belanghebbende een bedrag aan heffingsrente toegekend. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Minister heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 30 december 2010 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
De Staatssecretaris van Financiën heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 28 oktober 2011, nr. 10/02166, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond,
en veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 874 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp, M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2011.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Minister van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 448.