Uitspraak
Eerste Kamer
Nr. 15.081
AS
wonende te [woonplaats] ,
EISER tot cassatie,
VERWEERDER in cassatie,
17 September 1993.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over de vergoeding van waardevermeerdering van onroerende zaken die tijdens een huurperiode door de huurder zijn verbeterd. De curator van het faillissement van de huurder vorderde betaling van de verhuurder wegens vermeende wanprestatie en onrechtmatige verrijking.
De Hoge Raad overweegt dat op grond van het oude recht (voor 1 januari 1992) de eigenaar van een onroerende zaak in beginsel niet verplicht is de schade van de huurder te vergoeden als gevolg van door de huurder aangebrachte toevoegingen, omdat de huurder het recht heeft deze toevoegingen bij ontruiming weg te nemen (art. 1603 BW Pro oud). Echter, bijzondere omstandigheden kunnen een vergoeding rechtvaardigen.
In deze zaak waren bijzondere omstandigheden aanwezig omdat de verhuurder tevens directeur van de huurder was en daardoor het wegnemingsrecht niet uitoefende, wat leidde tot verrijking van de verhuurder. Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de aangebrachte lichtarmaturen in de straalhallen bestanddeel waren geworden van de onroerende zaak, waardoor de eigenaar daarvan was verrijkt.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het oordeel van het hof dat de curator aanspraak kon maken op vergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking. De uitspraak benadrukt de toepassing van art. 48 Rv Pro en art. 1603 BW Pro (oud) in huurrechtelijke contexten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de curator krijgt vergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking bevestigd.