ECLI:NL:PHR:2010:BO8202
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over grenzen van zoekend rondkijken en doorzoeking bij inbeslagneming verdovende middelen
In deze zaak stond centraal of de politie bij het binnentreden van een woning en het openen van een kastdeur om verdovende middelen in beslag te nemen, handelde binnen de grenzen van 'zoekend rondkijken' zoals bedoeld in artikel 9 van Pro de Opiumwet, of dat sprake was van een onrechtmatige doorzoeking. Het hof had geoordeeld dat er geen sprake was van een doorzoeking omdat de politie vooraf wist waar de verdovende middelen lagen en slechts 'ophaalde'.
De Hoge Raad herhaalt de jurisprudentie dat het openen van een kastdeur meer inhoudt dan zoekend rondkijken en daarom een doorzoeking is waarvoor geen wettelijke grondslag bestaat in artikel 9 Opiumwet Pro. Dit oordeel van het hof lijdt aan een motiveringsgebrek en is onjuist. De Hoge Raad nuanceert dat hoewel de politie vooraf wist waar de voorwerpen lagen, het openen van een kastdeur een grens overschrijdt.
Daarnaast is geoordeeld dat de verdachte niet adequaat is gewezen op zijn recht op bijstand van een raadsman voorafgaand aan het verhoor, in strijd met de Salduz-jurisprudentie. Het hof had de verklaring van de verdachte die zonder advocaat was afgelegd, niet zonder meer als bewijs mogen gebruiken.
De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak naar het hof Arnhem voor hernieuwde berechting. Hiermee wordt benadrukt dat de wettelijke grenzen van zoekend rondkijken strikt moeten worden nageleefd en dat het recht op raadsliedenbijstand bij aanhouding en verhoor essentieel is voor een eerlijk proces.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het hof Arnhem voor hernieuwde berechting.