ECLI:NL:PHR:2010:BO6446
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over de reikwijdte en uitleg van kinderpornowetgeving bij onttrekking aan het verkeer
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van het Gerechtshof Amsterdam waarin onder verzoeker inbeslaggenomen voorwerpen werden aangemerkt als kinderporno en onttrokken aan het verkeer. De Hoge Raad behandelt de uitleg van het begrip 'seksuele gedraging' in art. 240b Sr en de toepassing daarvan op beeldmateriaal dat voor de inbeslagneming werd vervaardigd.
De Hoge Raad bevestigt dat voor de toepassing van art. 240b Sr niet vereist is dat vaststaat dat het kind is geschaad, maar dat het gaat om afbeeldingen van seksuele gedragingen waarbij de afgebeelde jeugdige kennelijk jonger dan 18 jaar is. Het hof mocht het gehele materiaal onttrekken aan het verkeer, ook als niet elk afzonderlijk beeld strafbaar was, vanwege samenhang en het gevaar van ongecontroleerd bezit.
De zaak bevat een uitvoerige bespreking van wetsgeschiedenis, parlementaire debatten en jurisprudentie, waaronder eerdere uitspraken over de fotograaf/kunstartiest belanghebbende. De Hoge Raad benadrukt dat het criterium van de seksuele gedraging niet primair gebaseerd is op seksuele prikkeling bij de kijker, maar op het seksuele karakter van de gedraging zelf en de bescherming van jeugdigen tegen seksuele exploitatie.
Ook wordt ingegaan op internationale verdragen die Nederland verplichten tot strafbaarstelling van kinderpornografie. Het hof heeft terecht geen uitzonderingen gemaakt voor wetenschappelijk of historisch belang bij de onttrekking, omdat art. 240b Sr dergelijke uitzonderingen niet kent. De Hoge Raad verwerpt de middelen en bevestigt het oordeel van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het hof het inbeslaggenomen materiaal terecht als kinderporno heeft aangemerkt en onttrokken aan het verkeer.