ECLI:NL:PHR:2010:BM4303
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest ontuchtzaak wegens schending recht op ondervraging slachtoffer
Verdachte werd door het hof veroordeeld wegens ontuchtige handelingen met een minderjarige op 29 augustus 2005. Het bewijs berustte voornamelijk op de verklaring van het slachtoffer, die niet rechtstreeks door de verdediging kon worden ondervraagd. De verdediging verzocht om het slachtoffer als getuige te horen, maar dit verzoek werd door het hof afgewezen met als motief het welzijn van het slachtoffer. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd op welke concrete feiten dit oordeel was gebaseerd, waardoor het belang van verdachte om het slachtoffer te horen niet adequaat is afgewogen.
De Hoge Raad verwijst naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), waarin is vastgesteld dat het gebruik van verklaringen van minderjarige slachtoffers zonder mogelijkheid tot ondervraging door de verdediging de eerlijkheid van het proces kan schaden. Hoewel het hof een deskundige liet benoemen ter beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring, acht de Hoge Raad dit onvoldoende compensatie voor het ontbreken van directe ondervraging.
Daarnaast is het hof niet onbegrijpelijk in haar oordeel dat de verklaringen van verdachte en slachtoffer overeenkomen omtrent de aanwezigheid van het slachtoffer op de bewuste dag, waardoor de ontkenning van verdachte onvoldoende aannemelijk is. Wel oordeelt de Hoge Raad dat een deel van het bewijs onvoldoende redengevend is. De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling, waarbij ook rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling, mede vanwege schending van het recht op ondervraging van het slachtoffer.