ECLI:NL:PHR:2010:BL9562
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing nieuw huurrecht op tussentijdse huurprijsvaststelling bij verlenging bedrijfsruimte
In deze zaak staat centraal of de verhuurder op grond van art. 7:303 BW Pro aanspraak kan maken op nadere vaststelling van de huurprijs, ook als partijen een beding hebben dat dit uitsluit. Momus trad in 1999 in de huurovereenkomst voor een horecapand te Maastricht en betwistte de door de verhuurder gevorderde huurprijsaanpassing voor de verlengingsperiode tot 2014.
De Hoge Raad stelt vast dat het nieuwe huurrecht, met onmiddellijke werking volgens art. 68a ONBW en art. 206 ONBW Pro, van toepassing is. Dit betekent dat contractuele bedingen die afwijken van art. 7:303 BW Pro slechts ten gunste van de huurder vernietigbaar zijn (art. 7:291 lid 1 BW Pro). De eerdere rechtspraak die nietigheid van dergelijke bedingen voor beide partijen toestond, is achterhaald.
Het hof had de regeling uit de optieverlenging van 1987 afgewezen op basis van het oude recht, maar de Hoge Raad vernietigt dit oordeel en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling onder het nieuwe recht. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat art. 6:159 lid 2 BW Pro niet ambtshalve toegepast hoeft te worden bij contractsovername en dat bewijswaardering aan de feitenrechter is.
De uitspraak bevestigt dat huurprijsafspraken voor optietermijnen onder het nieuwe recht anders worden beoordeeld en dat huurders beschermd worden tegen onredelijke huurverhogingen, terwijl verhuurders onder voorwaarden een beroep kunnen doen op nadere huurprijsvaststelling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak terug voor toepassing van het nieuwe huurrecht met onmiddellijke werking van art. 7:303 BW.