ECLI:NL:PHR:2010:BL7813
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over bewijsklacht en bewezenverklaring in Eindhovense zedenzaak
In deze zaak stond verdachte terecht voor meerdere ontuchtige handelingen met minderjarige jongens in Eindhoven. De tenlastelegging werd aanvankelijk gevormd door drie feiten, maar later werd een dagvaarding met vijf feiten aan verdachte betekend. Zowel de rechtbank als het hof gingen uit van deze vijf feiten als grondslag van het strafgeding.
De verdediging voerde onder meer aan dat het hof ten onrechte van de voorlopige tenlastelegging met drie feiten was afgeweken en dat de bewezenverklaring van feit 5 onvoldoende was gemotiveerd. Ook werd geklaagd over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de minderjarige slachtoffers en het niet horen van bepaalde getuigen.
De Hoge Raad overwoog dat alle partijen in eerste aanleg de dagvaarding met vijf feiten als grondslag hadden aanvaard en dat verdachte hierdoor niet in zijn belangen was geschaad. Daarmee was de grondslag van het strafgeding gewijzigd conform artikel 314a Sv. De Hoge Raad verwierp het verweer dat het hof onjuist had gehandeld.
Verder stelde de Hoge Raad vast dat de bewezenverklaring van feit 5 niet voldoende uit de bewijsmiddelen bleek en dat het hof dit had moeten motiveren. Daarom wees de Hoge Raad de zaak terug voor dat feit en de strafoplegging. Over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de minderjarige slachtoffers en het horen van getuigen oordeelde de Hoge Raad dat het hof zorgvuldig had gehandeld, mede op basis van deskundigenrapporten.
De Hoge Raad concludeerde dat de middelen van cassatie faalden en verwierp het beroep van verdachte.
Uitkomst: Hoge Raad wijst zaak terug voor feit 5 wegens onvoldoende gemotiveerde bewezenverklaring en bevestigt overige beslissingen.