ECLI:NL:PHR:2010:BG5375
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen recht op infiltratieaftrek grondwaterbelasting zonder vergunning voor infiltratie
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het hof waarin het ging om de ontvankelijkheid van bezwaren tegen grondwaterbelasting en de toepassing van de infiltratieaftrek. Belanghebbende exploiteert een drinkwaterbedrijf en maakte bezwaar tegen de grondwaterbelasting over meerdere jaren, waarbij zij aanspraak maakte op vermindering wegens infiltratieaftrek. Het hof verklaarde de bezwaren over een groot deel van de jaren niet-ontvankelijk omdat deze niet binnen de wettelijke termijn waren ingediend na de betaling van de belasting. Daarnaast oordeelde het hof dat geen recht op infiltratieaftrek bestond omdat er geen vergunning voor infiltratie was verleend, noch voorwaarden voor infiltratie in de vergunning waren opgenomen.
De Hoge Raad bevestigt dat een bezwaar tegen een op aangifte voldane belasting pas ontvankelijk is indien het is ingediend na de datum waarop de betaling op de rekening van de ontvanger is bijgeschreven. Een bezwaarschrift dat vóór die datum is ingediend, is prematuur en in beginsel niet ontvankelijk, tenzij de indiener redelijkerwijs mocht menen dat de betaling reeds had plaatsgevonden. In dit geval was het bezwaarschrift over november 2003 ingediend vóór de datum van betaling en was niet aannemelijk dat belanghebbende mocht menen dat betaling al had plaatsgevonden.
Verder wordt bevestigd dat de infiltratieaftrek alleen kan worden toegepast indien het infiltreren van water geschiedt in overeenstemming met de voorwaarden die daartoe zijn gesteld in een vergunning die is verleend op grond van de Grondwaterwet. In deze zaak was geen vergunning voor infiltratie verleend en waren geen voorwaarden opgenomen, zodat geen recht op aftrek bestond. Het hof mocht het aanbod van belanghebbende om getuigen te horen over de vergunning afwijzen omdat dit niet tot een ander oordeel zou leiden.
Ten slotte bespreekt de conclusie ook de procedurele kwestie dat het hof twee afzonderlijke zaken behandelde terwijl het in feite één zaak betrof, en dat dit niet correct was. De Hoge Raad zal de uitspraken van het hof vernietigen vanwege deze procedurele onjuistheid.
Uitkomst: Bezwaar tegen grondwaterbelasting over november 2003 is niet ontvankelijk wegens voortijdige indiening en infiltratieaftrek wordt geweigerd wegens ontbreken van vergunning.