ECLI:NL:PHR:2009:BI7145
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid van vroegtijdig verbod op dierlijke eiwitten in diervoeders
In deze zaak vordert Cagemax schadevergoeding van de Staat wegens het per 15 december 2000 in werking treden van een verbod op het verhandelen van verwerkte dierlijke eiwitten in diervoeders, eerder dan de datum van 1 januari 2001 zoals bepaald in een Europese Beschikking. Cagemax stelt dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door het verbod voortijdig in te voeren zonder zorgvuldige belangenafweging en zonder compensatie.
De rechtbank wijst de vordering af en het hof bevestigt dit oordeel. Het hof overweegt dat het verbod noodzakelijk was ter uitvoering van Europese regelgeving en dat het niet onzorgvuldig was om het verbod eerder in te voeren. Verder oordeelt het hof dat het verbod niet in strijd is met het égalité-beginsel en dat de schade voorzienbaar was.
De Hoge Raad bespreekt vervolgens of het hof ten onrechte buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door niet te onderzoeken of het verbod een wettelijke basis had en of het in strijd was met Europees recht. De Hoge Raad bevestigt dat het hof niet verplicht was deze vragen ambtshalve te behandelen omdat Cagemax deze gronden niet had aangevoerd. Ook beoordeelt de Hoge Raad dat het verbod een juiste wettelijke basis had in de Landbouwwet en dat het niet strijdig was met het communautair recht. De klachten van Cagemax worden verworpen en het cassatieberoep afgewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Cagemax wordt verworpen; het vroegtijdig in werking treden van het verbod is rechtmatig en de Staat is niet aansprakelijk.