ECLI:NL:PHR:2009:BI4325
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt omvang en wijze van uitoefening erfdienstbaarheid van uitweg
In deze zaak staat de omvang en de wijze van uitoefening van een erfdienstbaarheid van uitweg centraal tussen buren. De erfdienstbaarheid werd in 1962 gevestigd en betreft het recht van uitweg ten gunste van het perceel van verweerster en ten laste van het perceel van eiser. Het geschil betreft de vraag of deze erfdienstbaarheid ook het gebruik van een schuur (nu garage) en een ophaalbrug omvat.
De rechtbank en het hof hebben geoordeeld dat de erfdienstbaarheid mede wordt bepaald door het langdurig te goeder trouw en zonder tegenspraak gebruik ervan, aangezien de akte van vestiging geen nadere regels bevatte. Verweerster slaagde in het bewijs dat haar rechtsvoorganger de erfdienstbaarheid op deze wijze heeft uitgeoefend. Eiser betwistte dit, maar het hof bevestigde de bewijswaardering van de rechtbank.
In cassatie voerde eiser aan dat de inhoud en wijze van uitoefening uitsluitend door de akte van vestiging bepaald moeten worden, en dat het hof onjuist heeft geoordeeld dat gebruik te goeder trouw bepalend is. De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven en dat het cassatieberoep faalt. De erfdienstbaarheid strekt zich uit tot het gehele perceel van verweerster, inclusief de schuur, en het gebruik moet weliswaar op de minst bezwarende wijze plaatsvinden, maar dit beperkt het recht niet tot een zeer beperkte doorgang. De klachten over onvoldoende motivering en bewijswaardering faalden eveneens.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.