ECLI:NL:PHR:2009:BI0543
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen opheffing schorsing bewaring bij strafomzetting WOTS
De rechtbank Rotterdam heeft de tenuitvoerlegging van een Duitse gevangenisstraf van negen jaar en zes maanden toelaatbaar verklaard en deze omgezet in een Nederlandse gevangenisstraf van zes jaren. Tevens werd het bevel tot schorsing van de bewaring van de veroordeelde opgeheven. De veroordeelde stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing, waaronder tegen de opheffing van de schorsing van de bewaring.
De Hoge Raad overweegt dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is voor zover het gericht is tegen de beslissing tot opheffing van het schorsingsbevel, omdat deze beslissing niet behoort tot de uitspraak omtrent de toelaatbaarheid van de tenuitvoerlegging zoals bedoeld in de WOTS. De rechtbank heeft de strafoplegging gemotiveerd op basis van artikel 31 WOTS Pro, waarbij rekening is gehouden met de ernst van het delict, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde.
De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt dat de strafmotivering voldoet aan de wettelijke eisen. Tevens wordt benadrukt dat het vertrouwensbeginsel niet is geschonden door de rechter-commissaris en dat de schorsing van de bewaring terecht is opgeheven. Er zijn geen ambtshalve gronden voor vernietiging van de bestreden beslissing.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard voor zover het gericht is tegen de opheffing van de schorsing van de bewaring en wordt verder verworpen.