ECLI:NL:PHR:2009:BH4056
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot inning douaneschuld bij onttrekking aan douanetoezicht zonder kennisgeving aan aangever
In deze zaak staat centraal of de douaneautoriteiten bevoegd zijn tot inning van een douaneschuld bij een douaneschuldenaar anders dan de aangever, indien de aangever niet is geïnformeerd dat de goederen en het vervoersdocument het kantoor van bestemming niet hebben bereikt en geen gelegenheid heeft gekregen bewijs te leveren van de regelmatigheid van het douanevervoer of de plaats van onregelmatigheid.
De feiten betreffen de onttrekking van 350 kartons sweatshirts aan het douanetoezicht tijdens extern communautair douanevervoer van Hong Kong naar Zwitserland. De aangever en een andere schuldenaar werden uitgenodigd tot betaling van douanerechten en omzetbelasting, zonder dat aan hen de vereiste kennisgeving was gedaan.
Het Hof verklaarde het beroep van de schuldenaar gegrond en vernietigde de uitnodigingen tot betaling. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De Procureur-Generaal concludeert dat de douaneschuld ontstaat bij onttrekking aan het douanetoezicht en dat de kennisgeving aan de aangever een conditio sine qua non is voor inning van de douaneschuld. Hij overweegt dat ook andere schuldenaren zich kunnen beroepen op het ontbreken van de kennisgeving en dat de inning bij hen niet bevoegd is.
De Procureur-Generaal beveelt aan de Hoge Raad de zaak te schorsen en een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen over de uitleg van artikel 36, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 222/77 juncto artikel 11 bis Pro van Verordening (EEG) nr. 1062/87 omtrent de inningsbevoegdheid bij andere schuldenaren dan de aangever.
Uitkomst: De Hoge Raad legt een prejudiciële vraag voor aan het HvJ EG over de inningsbevoegdheid van de douane bij andere schuldenaren dan de aangever bij ontbrekende kennisgeving.