ECLI:NL:PHR:2009:BH1090
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling omkering bewijslast bij niet doen van vereiste aangifte in belastingzaken
In deze conclusie behandelt Advocaat-Generaal IJzerman zes zaken waarin centraal staat of het ten onrechte opvoeren van relatief hoge aftrekposten kan leiden tot het niet doen van de vereiste aangifte in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
De conclusie bespreekt de voorwaarden waaronder een inhoudelijk niet adequate aangifte als het ontbreken van de vereiste aangifte wordt aangemerkt, waardoor de belastingplichtige wordt geconfronteerd met de omkering van de bewijslast. Hierbij wordt benadrukt dat alleen relatief aanzienlijke bedragen leiden tot het niet doen van de vereiste aangifte en dat de omkering van de bewijslast pas mag intreden als de belastingplichtige zich bewust is geweest van het niet aangeven van deze bedragen.
De conclusie bevat een uitgebreide analyse van relevante wetsartikelen, jurisprudentie en literatuur. Er wordt onderscheid gemaakt tussen aanslagbelastingen en aangiftebelastingen, waarbij de verhouding tussen niet aangegeven positieve resultaten en het werkelijk behaalde belastbare inkomen centraal staat. De conclusie wijst erop dat bij aftrekposten, waarvan de bewijslast reeds op de belastingplichtige rust, geen omkering van de bewijslast plaatsvindt.
De conclusie besluit dat het beroep in cassatie ongegrond moet worden verklaard, waarbij wordt opgemerkt dat bij vernietiging van het hofarrest verwijzing kan volgen om alsnog een oordeel over bewustheid te verkrijgen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard; het hof heeft terecht geoordeeld dat het ten onrechte opvoeren van relatief hoge aftrekposten niet leidt tot het niet doen van de vereiste aangifte.