ECLI:NL:PHR:2009:BG5045
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beperkte geldingsduur afwijzing omgangsregeling bij gezamenlijk gezag
De zaak betreft een verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling met zijn kind, waarbij de ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. Na een incident in 2005 waarbij de vader het slot van de woning van de moeder forceerde om omgang te realiseren, werd de omgang stopgezet. De rechtbank wees het verzoek tot omgang af wegens onvoldoende draagkracht en het belang van het kind. Het hof bekrachtigde deze afwijzing zonder een termijn te stellen voor de ontzegging van omgang.
De Hoge Raad stelt vast dat de wet geen grondslag biedt om het recht op omgang bij gezamenlijk gezag voor onbepaalde tijd te ontzeggen. Artikel 1:377a lid 3 BW, dat ontzegging regelt, geldt alleen voor de niet met gezag belaste ouder. Het hof heeft miskend dat een definitieve ontzegging niet mogelijk is in gevallen van gezamenlijk gezag.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en verwijst de zaak naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling. Dit arrest heroverweegt eerdere jurisprudentie en benadrukt dat een nieuw verzoek tot omgang mogelijk blijft bij wijziging van omstandigheden en in ieder geval na verloop van een jaar.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en stelt dat het recht op omgang bij gezamenlijk gezag niet voor onbepaalde tijd kan worden ontzegd.