ECLI:NL:PHR:2009:BG4270
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontnemingsvordering na vrijspraak deelneming criminele organisatie valsheid in geschrift
In deze zaak staat centraal de vraag of een ontnemingsvordering kan worden toegewezen voor het wederrechtelijk verkregen voordeel uit valsheid in geschrift, terwijl de verdachte daarvoor in de hoofdzaak is vrijgesproken. De verdachte was veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van misdrijven, waaronder valsheid in geschrift, maar vrijgesproken voor het onderdeel valsheid in geschrift zelf.
Het hof wees de ontnemingsvordering af omdat de verdachte niet afzonderlijk was vervolgd voor valsheid in geschrift en dit onderdeel deel uitmaakte van de tenlastelegging voor deelname aan de criminele organisatie. De Hoge Raad bevestigt dat het opleggen van een ontnemingsmaatregel voor een feit waarvoor de verdachte is vrijgesproken in strijd is met artikel 6, lid 2, EVRM, dat het recht op onschuld beschermt.
De Hoge Raad verduidelijkt dat bij deelneming aan een criminele organisatie door moet worden gekeken naar de gronddelicten, maar dat een onherroepelijke vrijspraak voor een onderdeel van die deelneming een zelfstandig obstakel vormt voor vervolging of ontneming ten aanzien van datzelfde feit. Tevens wordt besproken dat het opmaken en het gebruik maken van een vals geschrift als hetzelfde feit worden beschouwd, waardoor opeenvolgende vervolgingen daarvoor niet zijn toegestaan.
De conclusie is dat de afwijzing van de ontnemingsvordering door het hof niet onjuist is en voldoende is gemotiveerd. Het middel van cassatie wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de afwijzing van de ontnemingsvordering wegens vrijspraak voor het onderliggende feit.