ECLI:NL:PHR:2008:BG6304
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontnemingsmaatregel voor wederrechtelijk verkregen voordeel uit drugshandel
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem waarin aan betrokkene een betalingsverplichting is opgelegd tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €37.808,-. Betrokkene was eerder onherroepelijk veroordeeld door de rechtbank Zwolle voor het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet door meermalen cocaïne te verkopen.
De raadsman van betrokkene voerde onder meer aan dat de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel onjuist was, omdat de prijs per gram cocaïne niet correct was vastgesteld en dat de waarde van conservatoir beslag in mindering had moeten worden gebracht. Het hof verwierp deze verweren en corrigeerde een rekenfout in het eindrapport, waarna het voordeel werd vastgesteld op €37.808,-.
Daarnaast werd geklaagd dat het hof bij de voordeelsschatting soortgelijke feiten heeft betrokken die niet bewezen waren verklaard in de strafzaak, wat volgens betrokkene in strijd zou zijn met artikel 6 lid 2 EVRM Pro (onschuldpresumptie). De Hoge Raad oordeelt dat het hof deze feiten niet onbegrijpelijk heeft geïnterpreteerd en dat het meenemen van soortgelijke feiten in de ontnemingsprocedure niet in strijd is met het EVRM, mede gelet op eerdere jurisprudentie.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof, waarmee de betalingsverplichting tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gehandhaafd blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de ontnemingsmaatregel van €37.808,- wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit cocaïnehandel.