ECLI:NL:PHR:2007:BA8511
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid ISD-maatregel ondanks termijnoverschrijding en weigering aftrek voorarrest
In deze zaak werd verdachte veroordeeld voor diefstal en opgelegd tot een ISD-maatregel van twee jaar. Verdachte voerde in cassatie aan dat de redelijke termijn was overschreden vanwege een periode van ruim vijf maanden tussen de behandeling in eerste aanleg en hoger beroep, en dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard moest worden. Tevens stelde hij dat de duur van het voorarrest in mindering gebracht had moeten worden op de duur van de ISD-maatregel.
De Hoge Raad overwoog dat de systematiek van de ISD-maatregel meebrengt dat de tijd tussen inverzekeringstelling en berechting zo kort mogelijk moet zijn, maar dat een termijn van minder dan zes maanden in hoger beroep geen schending van de redelijke termijn inhoudt. De mogelijkheid om het voorarrest in mindering te brengen is facultatief en mag achterwege blijven indien aftrek de doelstellingen van de maatregel zou doorkruisen, zeker wanneer verdachte niet meewerkt aan rapportage.
De Hoge Raad benadrukte dat de ISD-maatregel zich onderscheidt van andere maatregelen zoals tbs, onder meer doordat de duur van de maatregel vaststaat en aftrek van voorarrest niet verplicht is. De sanctiemogelijkheden bij termijnoverschrijding zijn beperkt en niet-ontvankelijkheid van het OM is een zwaar middel dat niet snel toegepast wordt. De Raad concludeerde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had en het beroep verwierp.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling en de oplegging van de ISD-maatregel zonder aftrek van voorarrest ondanks de termijn van ruim vijf maanden tussen eerste aanleg en hoger beroep.