ECLI:NL:HR:2007:BA0487

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01209/06 P
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 12 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid berekeningswijze bij ontneming wederrechtelijk voordeel

In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, waarbij het hof de betrokkene verplichtte tot betaling van €234.000 aan de Staat. De betrokkene stelde in cassatie dat het hof handelde in strijd met de beginselen van een goede procesorde, het vertrouwensbeginsel en artikel 6 EVRM Pro, omdat het hof een berekeningsmethode hanteerde waarop de verdediging niet bedacht hoefde te zijn en waarop zij haar verweer niet kon richten.

De Hoge Raad verwijst naar de conclusie van de Advocaat-Generaal, die oordeelde dat een keuze voor een methode van voordeelsberekening waarop de verdediging in redelijkheid niet bedacht behoefde te zijn, niet in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde of artikel 6 EVRM Pro. Het hof mocht er in redelijkheid van uitgaan dat het onderzoek niet zou worden heropend indien gekozen werd voor de klassieke methode in plaats van de vermogensvergelijking, mede omdat het financieel verslag ook een aanzet gaf voor een klassieke berekening.

De Hoge Raad concludeert dat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden en dat geen reden bestaat om de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen. Het beroep wordt daarom verworpen. Hiermee wordt bevestigd dat het hof binnen de grenzen van een behoorlijke procesorde heeft gehandeld en dat de toegepaste berekeningswijze rechtmatig is.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de betrokkene blijft gehouden tot betaling van €234.000 aan ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

15 mei 2007
Strafkamer
nr. 01209/06 P
LR/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 30 november 2005, nummer 21/002173-00, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Rechtbank te Arnhem van 23 februari 2000 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 234.000,-.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. B.A.F. van Drimmelen, advocaat te Haarlem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. De conclusie is aan dit arrest gehecht.
3. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het tweede middel
4.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof heeft gehandeld in strijd met de beginselen van een goede proces-orde, het vertrouwensbeginsel en art. 6 EVRM Pro, door uit te gaan van een berekeningswijze waarop de verdediging niet bedacht hoefde te zijn en waarop zij haar verweer niet heeft kunnen richten.
4.2. Het middel faalt op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 15 tot en met 29.
5. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 15 mei 2007.