ECLI:NL:HR:2007:BA0487
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- W.A.M. van Schendel
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid berekeningswijze bij ontneming wederrechtelijk voordeel
In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, waarbij het hof de betrokkene verplichtte tot betaling van €234.000 aan de Staat. De betrokkene stelde in cassatie dat het hof handelde in strijd met de beginselen van een goede procesorde, het vertrouwensbeginsel en artikel 6 EVRM Pro, omdat het hof een berekeningsmethode hanteerde waarop de verdediging niet bedacht hoefde te zijn en waarop zij haar verweer niet kon richten.
De Hoge Raad verwijst naar de conclusie van de Advocaat-Generaal, die oordeelde dat een keuze voor een methode van voordeelsberekening waarop de verdediging in redelijkheid niet bedacht behoefde te zijn, niet in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde of artikel 6 EVRM Pro. Het hof mocht er in redelijkheid van uitgaan dat het onderzoek niet zou worden heropend indien gekozen werd voor de klassieke methode in plaats van de vermogensvergelijking, mede omdat het financieel verslag ook een aanzet gaf voor een klassieke berekening.
De Hoge Raad concludeert dat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden en dat geen reden bestaat om de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen. Het beroep wordt daarom verworpen. Hiermee wordt bevestigd dat het hof binnen de grenzen van een behoorlijke procesorde heeft gehandeld en dat de toegepaste berekeningswijze rechtmatig is.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de betrokkene blijft gehouden tot betaling van €234.000 aan ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.