ECLI:NL:PHR:2007:AZ5718
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over toepasselijkheid en interpretatie van verdragen bij tenuitvoerlegging buitenlandse strafvonnissen
Deze zaak betreft de tenuitvoerlegging in Nederland van twee Duitse strafvonnissen tegen een Nederlandse veroordeelde wegens handel en invoer van verdovende middelen. De Rechtbank Leeuwarden verklaarde de tenuitvoerlegging toelaatbaar op grond van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (VOGP). De veroordeelde bevond zich echter reeds in Nederland ten tijde van het verzoek tot overname, waardoor het VOGP volgens de Hoge Raad niet de juiste grondslag biedt.
De Hoge Raad stelt dat in een dergelijk geval het EG-Verdrag inzake de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen (EGTUL) van toepassing is, dat sinds 9 december 1997 geldt tussen Nederland en Duitsland. De rechtbank had dit verdragskader moeten toepassen. Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de strafbare feiten zoals vastgesteld door de Duitse rechter ook onder Nederlands recht strafbaar zijn, ondanks een andere kwalificatie van de feiten (invoer versus handel).
De veroordeelde had bekend dat hij zonder vergunning grote hoeveelheden marihuana, ecstasy en amfetamine verhandelde. De Hoge Raad wijst het beroep af voor zover het ziet op de strafbaarheid van de feiten en de strafmaat, maar vernietigt de uitspraak vanwege de onjuiste verdragsverwijzing en verbetert deze door correcte toepassing van het EG-Verdrag. De zaak wordt zelf afgedaan zonder verdere verwijzing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitspraak voor onjuiste verdragsverwijzing en bevestigt de tenuitvoerlegging onder het EG-Verdrag.