ECLI:NL:HR:2007:AZ5718
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over toepasselijkheid verdragen bij tenuitvoerlegging Duitse gevangenisstraf in Nederland
De Rechtbank Leeuwarden had verlof verleend tot tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf opgelegd door het Duitse Amtsgericht Heidelberg. De veroordeelde was reeds in Nederland toen het verzoek tot overname van de tenuitvoerlegging werd gedaan. De rechtbank baseerde zich op het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (VOGP) als grondslag voor de tenuitvoerlegging.
De Hoge Raad oordeelt dat het VOGP niet toereikend is voor de overname van de tenuitvoerlegging als de veroordeelde zich al in Nederland bevindt. Daarom vernietigt de Hoge Raad het vonnis voor zover het op dit verdrag is gebaseerd. Vervolgens wijst de Hoge Raad op het toepasselijke Verdrag tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen inzake de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen, dat sinds 9 december 1997 geldt tussen Nederland en Duitsland.
De Hoge Raad verwerpt het beroep voor het overige en besluit de zaak zelf af te doen. Hiermee wordt de tenuitvoerlegging van de Duitse gevangenisstraf in Nederland bevestigd, maar op basis van de juiste verdragsartikelen. De uitspraak is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 20 februari 2007.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis voor zover het op het VOGP is gebaseerd en wijst het toepasselijke EG-Verdrag aan voor de tenuitvoerlegging van de Duitse gevangenisstraf in Nederland.